Prejudiciële vraag aan Hoge Raad: strafvervolging bij weigering btw-recht?
1 september 2026
Hof Amsterdam stelt een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad: kan, gelet op het arrest van de Hoge Raad van 20 februari 2026, nog een strafrechtelijke veroordeling volgen voor het doen van onjuiste belastingaangifte als de onjuistheid is terug te voeren op het weigering van een btw-recht? [1]
Het stellen van een prejudiciële vraag
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van verdachten die door de rechtbank zijn veroordeeld voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en valsheid in geschrifte. Dit houdt verband met btw-fraude bij de handel in tweedehands auto’s.
Bij de zitting over de onderzoekswensen is ook het stellen van een prejudiciële vraag aan de Hoge Raad aan de orde gekomen vanwege het arrest van 20 februari 2026. [2] In alle heeft de verdediging en het Openbaar Ministerie ingestemd me het op voorhand stellen van een prejudiciële vraag. Voor de feitelijke context hiervoor wordt voorlopig de feitenschets van de rechtbank als uitgangspunt genomen.
Feitenschets
In dit strafrechtelijk onderzoek gaat het om een onderzoek naar autobedrijven, die ervan worden verdacht betrokken te zijn bij grootschalige internationale btw-fraude. De verdenking berust erop dat de bedrijven ‘btw-auto’s’ aan buitenlandse bedrijven (katvangers) hebben gefactureerd, terwijl ze zouden weten dat de koper in werkelijkheid iemand anders was. Op deze leveringen is steeds het btw-nultarief toegepast. Dit leidde tot de verdenking van het opzettelijk doen van onjuiste aangifte omzetbelasting en het valselijk opmaken van facturen (en/of valse CMR’s). De rechtbank kwam in grote mate tot een bewezenverklaring en strafoplegging: geldboetes voor de BV’s en taakstraffen en/of voorwaardelijke gevangenisstraffen voor de natuurlijke personen.
Kan een strafvervolging volgen op grond van artikel 69, lid 2 AWR wegens het weigeren van btw-rechten?
De bewezenverklaring voor het opzettelijk doen van onjuiste aangiften omzetbelastin ziet op op de onterechte toepassing van het btw-nultarief wegens btw-fraude. In een paar deelonderzoeken heeft de rechtbank overwogen dat de verdachten zelf actief btw-fraude hebben gepleegd of daaraan feitelijk leiding hebben gegeven.
Weigering btw-rechten en het arrest van 20 februari 2026
Uit de rechtspraak vloeit voort dat een belastingplichtige die btw-fraude pleegt, geen recht heeft op aftrek van voorbelasting en het btw-nultarief niet mag toepassen. Als een belastingplichtige ‘weet of had moeten weten’ dat hij (passief) deelneemt aan een handeling die onderdeel is van btw-fraude, geldt hetzelfde. Het hof verwijst hiervoor naar het Italmoda-arrest van het Hof van Justitie. Het hof verwijst ook naar rechtspraak waarin een veroordeling heeft plaatsgevonden voor artikel 69, lid 2 AWR, voor het doen van onjuist belastingaangifte omdat geen aanspraak op btw-‘voordelen’ kon worden gemaakt omdat sprake was van btw-fraude. Die veroordeling heeft in cassatie stand gehouden.
De Hoge Raad heeft daarnaast in 2024 bestuurlijke beboeting op grond van artikel 67f AWR aanvaard voor het wegens btw-fraude ten onrechte toepassen van het nultarief. Maar nu heeft de Hoge Raad het arrest van 20 februari 2026 gewezen. [3]
Het arrest van 20 februari 2026
Het hof overweegt dat de Hoge Raad hierop is teruggekomen: “artikel 67f, lid 1, van de AWR ziet niet op het niet-betalen van omzetbelasting in gevallen waarin de naheffingsaanslag louter berust op het door de inspecteur wegens misbruik of fraude ontnemen van het recht op toepassing van het nultarief, zulks ter voorkoming van een schending van het legaliteitsbeginsel inzake delicten en straffen.”
De vraag rijst of voor artikel 69, lid 2 AWR hetzelfde heeft te gelden als voor 67f AWR? Deze vraag is in het bijzonder van belang voor de onderhavige zaken, maar heeft ook een groter overstijgend belang. Het Openbaar Ministerie heeft aangegeven dat er meerdere strafrechtelijke onderzoeken lopen naar btw-fraude.
Afrondend
Het Hof heeft een prejudiciële vraag gesteld aan de Hoge Raad. Tot die tijd wordt het onderzoek voor onbepaalde tijd geschorst.
———————————————
[1] Hof Amsterdam 7 augustus 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:2259 (gepubliceerd op 17 augustus 2026).
[2] Hoge Raad 20 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:279.
[3] idem.


