Ontslag van alle rechtsvervolging want foutieve tenlastelegging voor verdenking belastingfraude
7 juli 2026
In deze zaak buigt Hof Den Haag zich over een verdenking van faillissementsfraude en belastingfraude. Het hof komt tot een vrijspraak en ontslag van alle rechtsvervolging [1].
De feiten
Een natuurlijke persoon wordt vervolgd wegens belastingfraude met aangiften omzetbelasting (feit 1) en faillissementsfraude (feit 2). De rechtbank heeft de verdachte veroordeeld voor beide feiten en een taakstraf van 120 uur opgelegd. Zowel de verdachte als het Openbaar Ministerie heeft hoger beroep ingesteld. In hoger beroep vordert de advocaat-generaal een bewezenverklaring van beide feiten en een strafoplegging van een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 30 dagen.
Vereenzelviging BV en natuurlijke persoon?
Als verweer wordt gevoerd dat aan de BV door de Belastingdienst een vergrijpboete is opgelegd voor btw-fraude en de natuurlijke persoon met de BV moet worden vereenzelvigd. Het hof gaat hier niet in mee. Onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad zijn een natuurlijke persoon en een rechtspersoon juridisch te onderscheiden. De natuurlijke persoon wordt als verdachte vervolgd in de hoedanigheid van feitelijk leidinggever van de BV. Er is derhalve geen sprake van het bestraffen van dezelfde persoon.
Een redelijke verdenking van een nieuw strafbaar feit is voldoende voor de intrekking van een eerder voorwaardelijk sepot
Stafvervolging onder AAFD Protocol drempel?
Daarnaast is het verweer gevoerd dat het fiscale nadeel circa € 67.000 bedroeg. Op grond van het AAFD Protocol is het drempelbedrag € 100.000. De advocaat-generaal stelde dat ook sprake was van aanvullende wegingscriteria, namelijk ‘verhaal onmogelijk’, ‘combinatie van delicten’, ‘medewerking adviseur’ en ‘waarheidsvinding’. Gelet hierop is het hof van oordeel dat het Openbaar Ministerie in redelijkheid tot een strafvervolging had kunnen komen, nu twee genoemde wegingscriteria daarvoor voldoende gewicht in de schaal leggen.
Foutieve tenlastelegging belastingfraude
Het hof acht bewezen dat sprake is van belastingfraude en komt dan ook tot een bewezenverklaring van feit 1. Voor feit 2 volgt vrijspraak. Daarna volgt de vraag over strafbaarheid.
Het hof overweegt dat de tenlastelegging is gebaseerd op de wet, zoals deze luidde tot 1 januari 1998. Vanaf die datum is het strekkingsvereiste gewijzigd en geobjectiveerd.
In de tenlastelegging was het volgende opgenomen:
“[bedrijf 1]
op of omstreeks 4 juli 2017 te Rotterdam en/of Schiedam en/of elders in Nederland,
een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen,
te weten een aangifte voor de omzetbelasting over het tweede kwartaal van 2017,
onjuist en/of onvolledig heeft gedaan,
immers heeft [bedrijf 1] opzettelijk op het bij de inspecteur der belastingen te Rotterdam ingeleverde aangiftebiljet over het tweede kwartaal van 2017,
(telkens) een onjuist bedrag aan (af te dragen) omzetbelasting vermeld,
terwijl daarvan het gevolg zou kunnen zijn dat te weinig belasting zou kunnen worden geheven,
aan welke bovenomschreven verboden gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven;”
Uit de wetsgeschiedenis volgt dat met het strekkingsvereiste werd beoogd de grens van strafbaarheid enger te maken. Nu de delictsomschrijving ten tijde van het bewezenverklaarde niet meer bestond, kan het hof het bewezenverklaarde feit niet kwalificeren. De verdachte wordt daarom ontslagen van alle rechtsvervolging.
Afrondend
Dit heeft tot gevolg dat het tweede feit niet kan worden bewezen en vrijspraak volgt, en dat het eerste feit wel kan worden bewezen maar niet kan worden gekwalificeerd.
———————————————
[1] Hof Den Haag 9 juni 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:1909 (gepubliceerd op 30 juni 2026).


