Hof: onduidelijke uitspraak op bezwaar leidt tot verschoonbare termijnoverschrijding
30 juni 2026
Een belastingplichtige heeft 6 weken de tijd om beroep in te stellen nadat de inspecteur uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Als de belastingplichtige buiten die termijn beroep instelt, kan het beroep alsnog ontvankelijk zijn als de termijnoverschrijding verschoonbaar is. Daarover oordeelt Hof Den Bosch [1]
De feiten
De inspecteur had een onderzoek gedaan naar de jaren 2013 t/m 2017 en voor de jaren 2014 t/m 2017 (navorderings)aanslagen IB/PVV opgelegd. Daartegen heeft de belastingplichtige bezwaar gemaakt, welk bezwaar door de inspecteur ongegrond is verklaard.
In de uitspraak op bezwaar schreef de inspecteur voor de uitspraken op bezwaar 2014 en 2015: “Deze brief vormt een onderdeel van de uitspraak op het bezwaar die u binnenkort ontvangt via mijn geautomatiseerd systeem.” Voor de jaren 2016 en 2017 had de inspecteur een dergelijke passage niet in de brief opgenomen.
De belastingplichtige stelt vervolgens circa 2 maanden later beroep in tegen de uitspraak op bezwaar over de jaren 2016 en 2017. De rechtbank heeft het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat het beroep te laat is ingediend. De belastingplichtige gaat in hoger beroep.
Verschoonbare termijnoverschrijding
Het hof schetst eerst het juridisch kader. Een buiten de termijn ingediend beroepschrift kan niet-ontvankelijk worden verklaard. Een niet-ontvankelijkverklaring blijft achterwege als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. De bewijslast daarvoor ligt bij de belastingplichtige.
Van belang hiervoor is dat het te laat ingediende beroepschrift een gevolg is van een niet aan de belastingplichtige toe te rekenen omstandigheid en de belastingplichtige daarna zo spoedig als redelijkerwijs kan worden verlangd, een beroepschrift indient.
De onduidelijkheid in de uitspraak op bezwaar is niet aan de belastingplichtige toe te rekenen
Het hof oordeelt dat het beroep van de belastingplichtige op een verschoonbare termijnoverschrijding slaagt.
Voor de jaren 2014 en 2015 heeft de belastingplichtige een brief ontvangen via het geautomatiseerde systeem, zoals ook aangekondigd in de uitspraak op bezwaar door de inspecteur. Voor de jaren 2016 en 2017 heeft de belastingplichtige dit niet ontvangen. Volgens het hof heeft de belastingplichtige voldoende aannemelijk gemaakt dat hij in de veronderstelling verkeerde ook voor die jaren zo’n brief nog te zullen ontvangen. Ook is aannemelijk gemaakt dat de belastingplichtige zo spoedig als mogelijk is alsnog beroepschriften heeft ingediend, namelijk binnen 1 week.
Dat de belastingplichtige werd bijgestaan door een professioneel gemachtigd, leidt voor het hof niet tot een ander oordeel. De onduidelijkheid in de brief van de Belastingdienst is volgens het hof niet aan de belastingplichtige toe te rekenen.
Tot slot
Het hof oordeelt tot slot dat de inspecteur het griffierecht van de belastingplichtige moet vergoeden en wijst een forfaitaire proceskostenvergoeding toe aan de belastingplichtige.
———————————————
[1] Hof Den Bosch 27 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1359 (gepubliceerd op 23 juni 2026).


