Prejudiciële vragen aan Hoge Raad: hoe moet 'nieuwe jurisprudentie' worden uitgelegd bij een ambtshalve vermindering?
13 oktober 2026
Hof Arnhem-Leeuwarden heeft aanleiding gezien om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen. Het hof wil weten hoe ‘nieuwe jurisprudentie’ moet worden uitgelegd bij verzoeken om een ambtshalve vermindering [1].
De aanloop van de procedure
De belastingplichtige heeft aanslagen IB 2017 en 2018 ontvangen en daartegen bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is door de inspecteur niet-ontvankelijk verklaard en de ‘bezwaarschriften’ zijn aangemerkt als een verzoek om ambtshalve vermindering. Daar draait het in deze zaak om. De inspecteur heeft die verzoeken afgewezen, waartegen de belastingplichtige beroep heeft ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft geoordeeld dat de inspecteur de bezwaren terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, maar dat de inspecteur het verzoek om ambtshalve vermindering ten onrechte heeft afgewezen. In hoger beroep is dit onderwerp van geschil.
Het geschil
In deze zaak gaat het om uitkeringen die een brandweervrijwilliger heeft ontvangen en die de inspecteur tot zijn belastbare inkomen uit werk en woning heeft gerekend (box 1). De belastingplichtige heeft verzocht om dat niet tot zijn inkomen te rekenen. Dit is gebaseerd op het brandweerman-arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2022 [2].
De inspecteur stelt dat het brandweerman-arrest ‘nieuwe jurisprudentie’ is en dit verhindert dat het verzoek om ambtshalve vermindering gegrond wordt verklaard. Het arrest is namelijk gewezen nádat de aanslagen onherroepelijk vast stonden. Hierbij verwijst de inspecteur ook naar andere arresten van de Hoge Raad en het standpunt van Kennisgroep Formeel recht.
De belastingplichtige stelt dat de Hoge Raad met het brandweerman-arrest geen wijziging heeft gebracht in de lijn van de jurisprudentie sinds het smeerkuil-arrest. Dat de praktijk een veel te strenge lijn hanteerde, en dat duidelijk werd door het brandweerman-arrest, is niet relevant. Het arrest is een nadere uitleg van het smeerkuil-arrest, dus er is geen sprake van ‘nieuwe jurisprudentie’.
Welk toetsingskader moet worden gehanteerd bij de beoordeling van 'nieuwe jurisprudentie'?
Aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen
Het hof schetst het juridische kader. Op grond van artikel 9.6, lid 2 IB moet de inspecteur aanslagen verminderen bij ministeriële regeling aan te wijzen gevallen. Die regels zijn neergelegd (voor de IB) in artikel 45aa Uitvoeringsregeling IB. Daaruit volgt dat de inspecteur overgaat tot ambtshalve vermindering, tenzij sprake is van een of meer uitzonderingen. Als 1 van de uitzonderingen is genoemd als de onjuistheid van de aanslag voortvloeit uit jurisprudentie die eerst is gewezen nadat de aanslag onherroepelijk vast is komen te staan.
Dit brengt het hof bij de vraag over het te hanteren toetsingskader, wat aanleiding heeft gegeven tot het stellen van prejudiciële vragen.
Is voor het toetsingskader van belang dat de inspecteur is uitgegaan van een rechtsopvatting die hij redelijkerwijs voor juist mocht houden en dat dit ten tijde van het onherroepelijk worden van de aanslag nog steeds het geval was? Er is dan sprake van ‘nieuwe jurisprudentie’ als de rechtsopvatting van de Hoge Raad afwijkt van de voordoen door de inspecteur gehanteerde rechtsopvatting en de inspecteur die rechtsopvatting ook in redelijkheid mocht koesteren.
Of is het toetsingskader dat vanuit het perspectief van de Hoge Raad moet worden beoordeeld of sprake is van een nieuwe rechtsopvatting? Zo nee, dan is er per definitie geen ‘nieuwe jurisprudentie’. Zo ja, dan wel.
Tot slot
Het hof overweegt dat niet duidelijk is of het brandweerman-arrest ‘nieuwe jurisprudentie’ is in de zin van artikel 45aa UR IB. Op grond van het voorgaande en de reacties van partijen heeft het hof besloten tot het stellen van prejudiciële vragen op grond van artikel 27ga AWR.
———————————————
[1] Hof Arnhem-Leeuwarden 15 september 2026, ECLI:NL:GHARL:2026:6018.
[2] Hoge Raad 25 maart 2022, ECLI:NL:HR:2022:444.


