Rechtbank over verschoningsrecht: uitgrijzen geheimhoudersstukken staat gelijk aan vernietigen

20 oktober 2026

Rechtbank Rotterdam buigt zich over een klaagschrift van 2 advocaten wegens een beroep op het verschoningsrecht [1].

De aanloop van de procedure

Twee advocaten hebben een klaagschrift op grond van artikel 552a Sv ingediend. De rechtbank had dit klaagschrift in 2020 niet-ontvankelijk verklaard. In 2022 vernietigd de Hoge Raad deze beschikking en wijst de zaak terug naar Rechtbank Rotterdam. In 2024 verklaart de rechtbank het beklag gegrond. Deze beschikking is in 2025 door de Hoge Raad opnieuw vernietigd en opnieuw teruggewezen naar Rechtbank Rotterdam. De behandeling van dit klaagschrift vond in september 2026 plaats.

Het geschil

Het Openbaar Ministerie had met een machtiging van de rechter-commissaris gegevens in beslag genomen van de verdachte, een (voormalig) cliënt van de 2 advocaten (de klagers in deze procedure). Het dossier bevatte correspondentie tussen de verdachte en diens advocaten, wat onder het verschoningsrecht valt.

De advocaten verzoeken de rechtbank in het klaagschrift om de geheimhoudersgegevens te vernietigen. Er kan niet worden volstaan met het uitgrijzen van de informatie. Er zijn onvoldoende waarborgen waardoor bij het uitgrijzen niet verzekerd kan worden dat die informatie definitief ontoegankelijk is. Het ‘loggen’ biedt geen daadwerkelijke bescherming, omdat in dep praktijk mogelijk blijft dat betrokkenen toch toegang tot die gegevens kunnen krijgen. De praktijk leert dat het uitgrijzen geen waterdicht systeem is.

Is 'uitgrijzen' in plaats van het vernietigen van geheimhoudersinformatie voldoende om het verschoningsrecht te waarborgen?

Volgens het Openbaar Ministerie moeten er voldoende waarborgen worden getroffen die ervoor zorgen dat het onderzoeksteam en andere derden geen kennis kunnen nemen van de inhoud van de uitgegrijsde gegevens. Een van die waarborgen is dat eenmaal uitgegrijsde gegevens alleen ‘ontgrijsd’ kunnen worden na een beslissing van de rechter-commissaris of de rechtbank. “De officieren van justitie zijn het met de klagers eens dat deze waarborgen niet voor een volledig waterdicht systeem zorgen en dat incidenten, waarbij onbedoeld is gehandeld in strijd met de instructies, kunnen voorkomen. Dit betekent echter niet dat er geen waarde kan worden toegekend aan deze waarborgen. Daarbij wordt benadrukt dat het uitgangspunt dient te zijn dat een opsporingsambtenaar te goeder trouw naar de werkinstructies handelt.”

Beoordeling verschoningsrecht en uitgrijzen geheimhoudersstukken

De rechtbank verwijst naar het arrest van de Hoge Raad uit 2022 over het begrip ‘vernietigen’ [2]. Daarmee wordt bedoeld dat de gegevens ‘niet meer kenbaar zijn’. Ook door bewerking van een digitale voorziening kan worden bewerkstelligd dat gegevens niet meer kenbaar zijn. Dit moet dan wel zodanig zijn vormgegeven dat deze gegevens geen deel meer uitmaken van de processtukken.

In 2025 oordeelde de Hoge Raad dat van de vernietiging voldoende nauwkeurig verslag moet worden gedaan, zodat inzichtelijk is dat is gewaarborgd dat de bij het opsporingsonderzoek betrokken personen geen toegang kunnen krijgen tot die gegevens [3].

De rechtbank overweegt dat het Openbaar Ministerie heeft laten vastleggen dat gebruik wordt gemaakt van digitale profielen met beperking van rechten, het loggen van handelingen wie zich tot welk bestand toegang verleent, een verbaliseringsplicht voor het uitgrijzen en ontgrijzen, het ontgrijzen alleen plaatsvindt na onherroepelijk oordeel van de rechter-commissaris of de rechtbank, en het voorschrijven van een aanvullend oordeel van de FIOD directeur voor het ontgrijzen. Volgens de rechtbank zijn deze waarborgen voldoende om te verzekeren dat de geheimhoudersstukken na het uitgrijzen nier meer toegankelijk zijn voor het onderzoeksteam.

Tot slot

De rechtbank overweegt ook nog dat de gegevens niet definitief ontoegankelijk worden gemaakt, maar oordeelt dat die eis ook niet is gesteld in de rechtspraak van de Hoge Raad en volgt niet uit regelgeving. Als zich er een incident voordoet, moet de zittingsrechter daar onderzoek naar doen.

Onder deze omstandigheden oordeelt de rechtbank dat het uitgrijzen gelijk kan worden gesteld met het vernietigen van de geheimhoudersstukken. Het klaagschrift wordt daarom ongegrond verklaard.

———————————————

[1] Rechtbank Rotterdam 7 oktober 2026, ECLI:NL:RBROT:2026:13668.

[2] Hoge Raad 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1257.

[3] Hoge Raad 1 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1030.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.