Hogere proceskostenvergoeding in fiscale zaak: inspecteur handelt tegen beter weten in

ANNOTATIE NTFR 2026/1460

15 september 2026

In een fiscale zaak heeft de belastingplichtige verzocht om een integrale proceskostenvergoeding van circa € 2,2 miljoen. In beroep gaat het enkel om de proceskostenvergoeding. Rechtbank Den Haag oordeelt hierover op 9 juli 2026. [1]

De feiten

In deze zaak gaat het om de lucratief belang-regeling. De inspecteur had een aanslag IB 2018 opgelegd naar een resultaat uit overige werkzaamheid van circa € 60 miljoen, wat resulteerde ineen aanslag met een te betalen bedrag van circa  35 miljoen en € 4 miljoen belastingrente.

In bezwaar oordeelde de bezwaarhandelaar dat er geen sprake is van een lucratief belang en dat hij aan het bezwaar tegemoet zou komen. Het verzoek om een integrale proceskostenvergoeding werd afgewezen. De belastingplichtige ging hiertegen in beroep.

Integrale proceskostenvergoeding

De rechtbank overweegt dat proceskosten op grond van artikel 7:15 en 8:75 Awb kunnen worden vergoed. Dit is in beginsel een forfaitaire proceslostenvergoeding (artikel 2, lid 1 Besluit proceskosten bestuursrecht). In artikel 2, lid 2 Bpb is een uitzondering opgenomen, waarbij ‘wegens bijzondere omstandigheden’ kan worden afgeweken van het forfait. 

Er is sprake van zo’n bijzondere omstandigheid als “het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft of een uitspraak op bezwaar doet, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking of uitspraak in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden (‘procederen tegen beter weten in’) of als het – anderszins – verregaand onzorgvuldig heeft gehandeld.”

In uitzonderlijke omstandigheden kan van de forfaitaire proceskostenvergoeding worden afgeweken

De rechtbank overweegt dat de inspecteur heeft gehandeld tegen beter weten in. Want de situatie van de belastingplichtige is nagenoeg een op een gelijk aan het voorbeeld uit de parlementaire geschiedenis, waarbij géén sprake was van een lucratief belang. Daarnaast wordt de inspecteur aangerekend dat pas na bijna 2 jaar een eerste inhoudelijke gesprek plaatsvond, terwijl de adviseur van de belastingplichtige daar al veel vaker om had verzocht. Dat gesprek had veel eerder moeten plaatsvinden. De rechtbank oordeelt dat sprake is van een bijzondere omstandigheid, waardoor kan worden afgeweken van het forfait in de bezwaarfase. In de beroepsfase ligt dit anders, want het betwisten van een intergale proceskostenvergoeding is niet handelen tegen beter weten in.

De hoogte van de proceskostenvergoeding

De belastingplichtige had verzocht om een proceskostenvergoeding van circa € 2,2 miljoen. De kosten voor de aanslagregeling houden geen verband met het bezwaar of beroep, dus komen niet voor vergoeding in aanmerking. Dan resteert een bedrag van € 1,6 miljoen. Nu de kosten zijn gemaakt voor de belastingplichtige en een medeoprichter van het bedrijf, worden de kosten gesplitst (50-50). Aan de medeoprichter is geen belastingaanslag opgelegd, dus hij heeft geen rechtsingang om een proceskostenvergoeding in het belastingrecht te claimen (maar kan zich wenden tot de civiele rechter).

Het bedrag van € 800.000 (50% van € 1,6 miljoen) gaat voor de rechtbank de grenzen van het redelijke ver te buiten. Aan het ter zitting gedane bewijsaanbod om de declaraties, specificatie van de tijdsbesteding en de betaalbewijzen te overleggen, gaat de rechtbank als tardief voorbij. 

De rechtbank maakt een inschatting van de werkzaamheden en een declaratiewaarde van € 100.000. Gelet op de 50-50 verdeling, komt de rechtbank tot een proceskostenvergoeding van € 50.000.

Tot slot

De rechtbank verklaart het beroep gegrond, vernietigd de uitspraak op bezwaar voor de proceskostenvergoeding in de bezwaarfase en kent de eerder  genoemde proceskostenvergoeding toe. Voor de beroepsfase kent de rechtbank een forfaitaire proceskostenvergoeding toe. Over deze uitspraak heb ik een annotatie geschreven voor het NTFR (te vinden via NTFR 2026/1460).

———————————————

[1] Rechtbank Den Haag 9 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:19383 (gepubliceerd op 23 juli 2026).

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.