Veroordeling CEO voor omkoping, valsheid in geschrifte en witwassen

8 augustus 2025

Gisteren heeft de Noordelijke Fraudekamer van Rechtbank Noord-Nederland een persoon met een voorbeeldfunctie veroordeeld voor omkoping, valsheid in geschrifte en witwassen [1]. Door de voorbeeldfunctie oordeelt de rechtbank dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden moet worden opgelegd.

Het oordeel van rechtbank: passieve niet-ambtelijke omkoping

In deze zaak ging het om een verdenking waarbij de verdachte zou zijn omgekocht, waarbij er een langdurig patroon is waarbij goederen gratis of onder de marktwaarde aan hem in privé werden geleverd. Soms stond er volgens de rechtbank een tegenprestatie tegenover, maar soms werd in feite door het bedrijf van de verdachte betaald voor de goederen door middel van een sponsorfactuur. De rechtbank moet beoordelen of sprake is van passieve niet-ambtelijke omkoping in de zin van artikel 328ter Sr.

Omdat de verdachte CEO was, kan hij volgens de rechtbank worden gekwalificeerd als lasthebber van het bedrijf. Vervolgens oordeelt de rechtbank dat de medeverdachte giften en beloftes heeft gedaan, waarbij er volgens de rechtbank ‘een zeer duidelijk’ causaal verband is tussen de omkopingsmiddelen en de tegenprestatie. Maar een concrete tegenprestatie is niet nodig om tot een bewezenverklaring te komen. Voldoende is immers dat een gift, belofte of dienst is gedaan om zo een voorkeursbehandeling te kunnen krijgen.

De rechtbank komt uiteindelijk tot het oordeel dat de passieve niet-ambtelijke omkoping kan worden bewezen [2]. Ten aanzien van de medeverdachte oordeelt de rechtbank dat actieve niet-ambtelijke omkoping kan worden bewezen [3].

Het oordeel van de rechtbank: valsheid in geschrifte

Daarnaast is de verdenking dat de verdachte een sponsorfactuur valselijk heeft opgemaakt door aan te geven dat het bedrag volledig sponsoring betrof en niet te vermelden dat een groot deel bedoeld was als commissie en ter betaling van gereedschapskisten (artikel 225 Sr). Volgens de rechtbank weerspiegelt de factuur niet de werkelijkheid, omdat een buitensporig groot deel bij de medeverdachte terecht is gekomen in plaats van de sponsoring van het motorteam.

Er volgt voor een deel vrijspraak, omdat op de tenlastelegging is opgenomen dat het zou gaan om gereedschapskisten die zouden zijn aangeschaft, terwijl dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld. De rechtbank overweegt dat dit niet af doet aan de conclusie dat de factuur vals is. 

Ook ten aanzien van andere facturen oordeelt de rechtbank dat die vals zijn en dat de verdachte dit heeft geweten. Daardoor volgt een bewezenverklaring voor de verdenking van valsheid in geschrifte.

Naast witwassen heeft de verdachte zich tevens schuldig gemaakt aan niet ambtelijke omkoping en valsheid in geschrifte. Dit werkt volgens de rechtbank strafverzwarend.

Het oordeel van de rechtbank: witwassen

Tot slot is er een verdenking van witwassen (artikel 420bis Sr). Op de werkplaats van verdachte is een contant geldbedrag aangetroffen van circa € 250.000, o.a. in enveloppen tussen boeken in een boekenkast, in een houten kistje, en in plastic boodschappentas in de koelkast. Ook is circa € 198.000 contant aangetroffen in de woning van de verdachte. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat het zijn geld is en dat hij dit geld nooit heeft opgegeven bij de Belastingdienst. 

De rechtbank overweegt dat er geen gronddelict is waaruit het contante geldbedrag afkomstig kan zijn. Daarom moet de rechtbank eerst vaststellen of het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden heeft aangedragen die van dien aard zijn dat er zonder meer sprake is van een witwasvermoeden. De rechtbank overweegt dat een hebben van een groot contant geldbedrag hoogst ongebruikelijk is en dat coupures van € 500 in het Nederlandse betalingsverkeer maar zelden worden gebruikt, terwijl dit wel voorkomt in het criminele milieu. Ook werd het geld op ongebruikelijke plaatsen bewaard en is het niet opgegeven bij de Belastingdienst. Volgens de rechtbank is er een witwasvermoeden.

De verdachte heeft een verklaring gegeven voor het contante geldbedrag, onderbouwd met meerdere getuigenverklaringen. De rechtbank behandelt deze in de uitspraak en oordeelt dat de verklaringen niet van dien aard zijn dat hiermee het witwasvermoeden is ontzenuwd. Er is volgens de rechtbank geen andere conclusie mogelijk dan dat het contante geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en dat de verdachte dit ook wist. 

Straftoemeting

Het Openbaar Ministerie eiste een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 8 jaar. 

De rechtbank overweegt dat het ‘buitengewoon’ kwalijk is dat de CEO de gedragsregels schendt, door zichzelf te verrijken ten koste van het bedrijf.  Ook heeft het bedrijf financiële schade geleden, doordat er valse facturen zijn opgesteld, en heeft de verdachte een contant geldbedrag witgewassen. Dit wordt de verdachte ernstig aangerekend.

Strafmatigend weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor een strafbaar feit. Vervolgens verwijst de rechtbank naar de LOVS-oriëntatiepunten bij een ‘first offender’ en overweegt dat voor witwassen een gevangenisstraf tussen de 12 en 18 maanden als uitgangspunt geldt bij een nadeelbedrag tussen de € 250.000 en € 500.000. Daarnaast is er sprake van niet-ambtelijke omkoping en valsheid in geschrifte, wat strafverzwarend werkt. 

De rechtbank wijkt voor de redelijke termijn af van de standaardtermijn van 2 jaar. Gelet op de complexiteit van het onderzoek en het uiteindelijke einddossier acht de rechtbank een termijn van 3 jaar redelijk. Nu binnen die 3 jaar uitspraak wordt gedaan, zal de rechtbank hiermee geen rekening houden bij de strafmaat.

Alles afwegende komt de rechtbank tot een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf, en wijkt daarmee af van de eis van het Openbaar Ministerie. De rechtbank ziet geen aanleiding om een deels voorwaardelijke straf op te leggen. Daarom wordt een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 24 maanden opgelegd.

Conclusie

In totaal heeft de rechtbank 4 uitspraken gedaan, in de zaak van de verdachte (hierboven weergegeven) en de zaak van de medeverdachte, maar ook in de zaken van twee andere personen. Daarbij ging het om het medeplegen van valsheid in geschrifte  met betrekking tot hypotheekfraude [4] en valsheid in geschrifte met betrekking tot een sponsorfactuur [5].

—————————————————-

[1] Rechtbank Noord-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3234. Zie ook ECLI:NL:RBNNE:2025:3226, ECLI:NL:RBNNE:2025:3249 en ECLI:NL:RBNNE:2025:3248.

[2] Rechtbank Noord-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3234.

[3] Rechtbank Noord-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3226.

[4] Rechtbank Noord-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3249.

[5] Rechtbank Noord-Nederland 7 augustus 2025, ECLI:NL:RBNNE:2025:3248.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.