'Laakbaar handelen' gewezen verdachte meewegen bij verzoek vergoeding advocaatkosten 530 Sv? Zaak is gecommuniceerd door het EHRM
7 april 2026
Mag ‘laakbaar handelen’ van een gewezen verdachte worden betrokken in de afweging bij een verzoek om vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, nadat er een vrijspraak is gevolgd? Of is dit in strijd met de onschuldpresumptie? Die vraag is voorgelegd in een Nederlandse zaak aan het EHRM [1].
Vergoeding kosten rechtsbijstand na einde strafzaak
Op grond van artikel 530 Sv kan na het einde van een strafzaak een verzoek worden ingediend voor de vergoeding van advocaatkosten. Hieraan zijn voorwaarden verbonden, zoals dat de zaak is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Dan kan aan de gewezen verdachte een vergoeding worden toegekend voor o.a. de kosten van rechtsbijstand. De rechter beoordeelt dan of er gronden van billijkheid zijn om die vergoeding toe te kennen.
Betrekken 'laakbaar handelen' in de overweging?
Samen met mr. C. Janssen heb ik eerder een artikel gepubliceerd (in 2022 [2]) over de vergoeding van de kosten van rechtsbijstand, waarbij de rechters in hun billijkheidsafweging diverse omstandigheden betrekken. Daarbij wordt soms door rechters een ‘eigen verwijt’-criterium in de beoordeling betrokken. Als het aan de persoon zelf heeft gelegen dat hij in een strafrechtelijk onderzoek is betrokken, dan kan het ‘eigen schuld’ of ‘eigen verwijt’ eraan in de weg staan dat er gronden van billijkheid zijn om een vergoeding toe te kennen. Wij concludeerden in 2022 al dat dit in strijd kan zijn met de onschuldpresumptie uit artikel 6, lid 2 EVRM.
Wordt bij de afwijzing van de vergoeding van de vrijgesproken verdachte een oordeel geuit over de schuld van de gewezen verdachte?
De 'communicated case' Koopmans
Het EHRM heeft medio maart 2026 de zaak Koopmans gecommuniceerd. De zaak gaat erover dat jegens de gewezen verdachte een verdenking was gerezen van overtreding van de Wet wapens en munitie. Door de rechtbank werd hij veroordeeld en in hoger beroep vrijgesproken. Als gevolg hiervan heeft de gewezen verdachte een verzoek ingediend voor vergoeding van de kosten van de ondergane inverzekeringstelling (artikel 533 Sv) en de kosten van rechtsbijstand (artikel 530 Sv). Het hof heeft deze verzoeken afgewezen:
“In the opinion of the court, in view of the above [that is: its reasoning in the criminal case], the actions of the applicant are reprehensible, but given the way in which the charges have been brought forward (gelet op de wijze van ten laste leggen), this has not led to a conviction. The applicant has himself to blame for his detention due to his reprehensible actions (laakbare handelen), and there are therefore no grounds of equity for granting the request.”
Bij het EHRM klaagt de verzoeker erover dat hiermee de onschuldpresumptie uit artikel 6, lid 2 EVRM is geschonden. De vraag in kwestie betreft:
“Were the Court of Appeal’s decisions of 11 July 2024 compatible with the presumption of innocence, guaranteed by Article 6 § 2 of the Convention (see, inter alia, see Nealon and Hallam v. the United Kingdom [GC], nos. 32483/19 and 35049/19, § 168, 11 June 2024; Gomes Costa v. Portugal, no. 34916/16, §§ 106-111, 25 February 2025). In particular, did the Court of Appeal’s reasoning reflect an opinion that the applicant was guilty to the criminal standard of the commission of a criminal offence, thereby suggesting that the criminal proceedings against him should have been determined differently?”
Het is nu aan de lidstaat (Nederland) om hierop te reageren. To be continued!
———————————————
[1] Zaak EHRM Koopmans tegen Nederland (nr. 32183/24), klacht ingediend op 30 oktober 2024. Zaak is gecommuniceerd op 12 maart 2026.
[2] K.M.G. Demandt en C.A.M. Janssen, ‘Gewikt en gewogen: de vergoeding van advocaatkosten (530 Sv). Over de verhouding tussen de vergoeding van kosten van rechtsbijstand ex artikel 530, tweede lid, Sv en de onschuldpresumptie’, TBS&H 2022, nr. 1.


