Immateriële schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn omhoog afronden

19 augustus 2025

Een belastingplichtige heeft in het belastingrecht recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. De standaard termijn voor bezwaar en beroep is 2 jaar. In een zaak bij de Hoge Raad wordt nogmaals duidelijk dat de overschrijding van de termijn naar boven moet worden afgerond, op halve jaren [1].

De redelijke termijn in belastingzaken

Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad (en inmiddels ook op grond van artikel 17 Grondwet) heeft de belastingplichtige recht op behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. De redelijke termijn voor bezwaar en beroep betreft 2 jaar. Wordt die termijn overschreden, dan kan dat leiden tot matiging van de boete en/of tot vergoeding van immateriële schade. 

De feiten in de zaak

In deze zaak was het bezwaarschrift ontvangen op 11 augustus 2020 en heeft de rechtbank uitspraak gedaan in de beroepsprocedure op 23 augustus 2023. De rechtbank heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met bijna 1 jaar is overschreden, zodat een immateriële schadevergoeding van € 1.000 is toegekend (€ 500 per half jaar overschrijding).

De belanghebbende was het hier niet mee eens, omdat de werkelijke termijnoverschrijding niet ‘bijna 1 jaar’ bedroeg, maar 1 jaar en 12 dagen. In cassatie bij de Hoge Raad stelt de belanghebbende dat de rechtbank verkeerd heeft geoordeeld ten aanzien van de overschrijding van de redelijke termijn.

De overschrijding van de redelijke termijn moet omhoog worden afgerond. Een overschrijding van 1 jaar en 12 maanden is - omhoog afgerond - een overschrijding van 1,5 jaar.

Het oordeel van de Hoge Raad: afronden omhoog

De Hoge Raad oordeelt dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kan blijven. Er is sprake van een geconstateerde termijnoverschrijding van 13 maanden, naar boven afgerond op 1,5 jaar. Dan moet een immateriële schadevergoeding worden toegekend van € 1.500. Hierbij overweegt de Hoge Raad ook nog dat uitspraak op bezwaar is gedaan op 31 juli 2021, ongeveer 12 maanden na indiening van het bezwaarschrift. Dat betekent dat er een termijnoverschrijding is van 6 maanden in de bezwaarfase, waardoor de termijnoverschrijding voor 6/13e deel toerekenbaar is aan de bezwaarfase. De heffingsambtenaar moet daarom 6/13e deel van de immateriële schadevergoeding van € 1,500 betalen en de Staat het overige deel (7/13e). 

Conclusie

Het arrest van de Hoge Raad maakt nog eens duidelijk dat bij een termijnoverschrijding omhoog moet worden afgerond. In dit geval was de redelijke termijn overschreden met 1 jaar en 12 dagen. Omdat in halve jaren wordt gerekend, kan de conclusie niet anders luiden dan dat de redelijke termijn (door de afronding omhoog) met 1,5 jaar is overschreden. 

———————————————

[1] Hoge Raad 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:971.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.