Bestuurlijke boete niet passend en geboden: matiging van € 265.000 (in bezwaar) naar € 2.500 (in beroep)
5 augustus 2025
Bestuurlijke boetes zijn een vorm van straftoemeting. Dat betekent dat een bestuurlijke boete passend en geboden moet zijn. In een zaak was een boete opgelegd wegens niet naleving van verscherpt cliëntenonderzoek op grond van de Wwft. In eerste instantie oordeelde Rechtbank Rotterdam in deze zaak, maar in hoger beroep boog het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) zich hierover op 24 juni 2025 [1]
Waar gaat de zaak over?
Het Bureau Financieel Toezicht (BFT) had een onderzoek ingesteld bij de betrokkene, die als instelling kwalificeert in de zin van de Wet ter voorkoming van witwassen en financieren van terrorisme (Wwft). Daarbij was vermeld dat op grond van art. 5:20 Awb verplicht gehoor moest worden gegeven aan het verzoek om de administratie. Voor de beantwoording van vragen is gewezen op het zwijgrecht.
Na afronding van het onderzoek heeft het BFT besloten tot oplegging van een bestuurlijke boete. De boete is uiteindelijk opgelegd, ter hoogte van € 265.000, omdat onvolledig aan de monitoringsverplichting was voldaan en geen verscherpt cliëntenonderzoek als bedoeld in de Wwft heeft plaatsgevonden.
De betrokkene was het hier niet mee eens en stelde bezwaar in. In bezwaar heeft het BFT het boetebesluit gedeeltelijk herroepen en de overtreding van de monitoringsverplichting niet meer aan de boete ten grondslag gelegd. Hierdoor, en doordat de boete ten onrechte op de volledige groepsomzet was gebaseerd, heeft het BFT de boete verlaagd naar € 18.900.
Inzage in alle zaakstukken van de boete
De betrokkene stelt in beroep bij de rechtbank [2] dat alle op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb) moeten worden overgelegd. Het gaat dan o.a. om stukken over het interne beraad over het onderzoek, het rapport, de overtredingen en het opleggen van de boete. De rechtbank heeft dat verzoek afgewezen, omdat de betrokkene niet gemotiveerd uiteen heeft gezet waarom het van belang is om die stukken te overleggen.
Bij het CBb herhaalt de betrokkene dit verzoek. onder verwijzing naar art. 6 EVRM. Het zou niet nodig moeten zijn dat de betrokkene uiteenzet wat de relevantie is, omdat voor boetes geldt dat alle relevante informatie ter inzage moet worden gegeven. Volgens het BFT zijn echter alle zaakstukken verstrekt, en als dat niet zo zou zijn, dan zijn de door de betrokkene genoemde stukken geen zaakstukken dan wel is de betrokkene niet in enig belang geschaad door niet overlegging daarvan.
De boete moet in redelijke verhouding staan tot de ernst van de overtreding en mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten
Volgens het CBb heeft de rechtbank een juist toetsingskader gehanteerd. De betrokkene had duidelijk moeten maken waarom de genoemde stukken van belang zijn voor haar verdediging. Voor zover de betrokkene wil nagaan of de aanleiding van het onderzoek van het BFT rechtmatig was, geldt dat voor de uitoefening van toezichtsbevoegdheden (volgens het CBb) niet relevant is welk signaal daaraan ten grondslag ligt. Bovendien volgt uit de rechtspraak dat stukken over intern beraad niet zonder meer op de zaak betrekking hebbende stukken zijn.
Daarnaast overweegt het Cbb dat het recht op rechtsbijstand niet is geschonden. Er was immers volgens het CBb geen sprake van een verhoor, waardoor er ook geen verplichting was om op dat recht te wijzen.
Is de boete passend en geboden?
Na beoordeling van de gronden of de Wwft is overtreden, komt het CBb toe aan de vraag of de boete passend en geboden is.
In bezwaar is de boete gematigd naar € 18.900. De betrokkene stelt dat dat de boete nihil had moeten zijn. De rechtbank oordeelde dat dit betoog niet slaagt, omdat de betrokkene niet heeft onderbouwd dat de omzet nihil was en geen inzage heeft willen geven in stukken die dat kunnen onderbouwen.
In hoger beroep overlegt de betrokkene de jaarrekening en deponeringsjaarrekening over het jaar 2019 waaruit volgt dat de omzet in 2019 nihil was. Het CBb toetst zonder terughoudendheid of de boete in redelijke verhouding staat tot de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten. Daarbij houdt het CBb zonodig rekening met de draagkracht, om de toetsen of de boete passend en geboden is. Uit de overgelegde jaarrekening over 2019 volgt niet dat het aandeel van betrokkene in de groepsomzet nihil was. Ook heeft betrokkene in hoger beroep niet gesteld dat ze de boete niet kan betalen en geen gegevens overgelegd over de actuele situatie. Het CBb ziet daarom geen reden om de boete op nihil te stellen, maar vindt wel dat de boete in geen verhouding staat tot de niet nagekomen verplichting uit de Wwft. De boete wordt daarom gematigd tot € 2.500.
Conclusie
Bestuurlijke boetes moeten passend en geboden zijn. Dat betekent dat diverse omstandigheden van belang kunnen zijn voor de beoordeling of zo’n boete passend en geboden is, zoals de draagkracht, maar ook of de boetehoogte in verhouding staat tot de ernst van de overtreding. Dit laatste leidde er in deze zaak toe dat de boete verdergaand werd gematigd.
———————————————
[1] College van Beroep voor het bedrijfsleven 24 juni 2025, ECLI:NL:CBB:2025:342.
[2] Rechtbank Rotterdam 18 december 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:12464.


