Aanvang redelijke termijn: voornemen officier van justitie in ontnemingsvordering is bepalend

10 maart 2026

In deze zaak bij de Hoge Raad staat het aanvangsmoment van de redelijke termijn in ontnemingsprocedure ter discussie [1]. Volgens de verdediging moet van een eerder aanvangsmoment worden uitgegaan dan het hof heeft gedaan. Daarop gaat de Hoge Raad in dit arrest in. 

De redelijke termijn in hoger beroep

Het hof had als aanvangsmoment van de redelijke termijn genomen de datum waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te maken. Dat was op 18 juli 2018. De rechtbank had binnen 2 jaar uitspraak gedaan, zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet was overschreden. In hoger beroep is de redelijke termijn met 2 maanden overschreden. Ook in de strafzaak in hoger beroep was de redelijke termijn overschreden, wat heeft geleid tot matiging van de straf. Daarmee is volgens het hof de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep voldoende gecompenseerd [2].

De redelijke termijn kan in cassatie slechts beperkt worden getoetst. Het oordeel is namelijk sterk verwezen met waarderingen van feitelijke aard.

Standpunt verdediging

De verdediging heeft in hoger beroep het verweer gevoerd dat de redelijke termijn is overschreden. Als aanvangsmoment moest het startpunt van het strafrechtelijk financieel onderzoek (art. 126 Sv) worden opgenomen. Dat was op 10 oktober 2016, en dus niet de latere datum van 18 juli 2018.

Het oordeel van de Hoge Raad

De Hoge Raad herhaalt de vaste rechtspraak uit 2008 [3]. Daarin is geoordeeld dat ook ontnemingsprocedures binnen een redelijke termijn moeten worden behandeld. Het aanvangsmoment van de redelijke termijn zal in de regel niet samenvallen met dat moment in de strafzaak. Het is aan de feitenrechter om het aanvangsmoment vast te stellen. Daarbij heeft de Hoge Raad een aantal mogelijke aanvangsmomenten benoemd:

  • het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar maakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken;
  • het moment waarop de betrokkene ervan op de hoogte raakt dat een strafrechtelijk financieel onderzoek is gestart (art. 126 Sv);
  • het moment waarop de in art. 511b Sv bedoelde vordering is betekend.

 

Er zijn onder omstandigheden ook andere aanvangsmomenten aan te wijzen, bijv. “in het geval dat de positie van de betrokkene in belangrijke mate wordt beïnvloed door een specifiek op voordeelsontneming gerichte beslaglegging op grond van art. 94a Sv”. 

De Hoge Raad overweegt dat het hof is uitgegaan van het aanvangsmoment van de redelijke termijn waarop de officier van justitie het voornemen heeft uitgesproken een ontnemingsvordering aanhangig te maken. Dit getuigt gelet op het arrest van de Hoge Raad uit 2008 niet van een onjuiste rechtsopvatting. Nu de verdediging niet heeft gemotiveerd dat de betrokkene ook van het strafrechtelijk financieel onderzoek op dat moment op de hoogte was geraakt, is dit oordeel van het hof ook toereikend gemotiveerd. Hieraan doet niet af dat de rechtbank van een ander aanvangsmoment is uitgegaan.

Afsluitend

Nu het oordeel van het hof niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend is gemotiveerd, faalt het cassatiemiddel. De overige aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit leidt ertoe dat de Hoge Raad het cassatieberoep verwerpt.

———————————————

[1] Hoge Raad 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:167.

[2] Hof Amsterdam 29 februari 2024, ECLI:NL:GHAMS:2024:441.

[3] Hoge Raad 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.