Feitelijk leidinggeven aan het niet tijdig indienen van VPB-aangiften: gevangenisstraf opgelegd

14 mei 2026

Als er een uitnodiging is verstuurd tot het doen van aangifte, dan rust er een verplichting tot het doen van aangifte op de belastingplichtige. De Rechtbank Oost-Brabant legde op 7 mei 2026 een ondernemer een gevangenisstraf op van 18 maanden, waarvan 6 maanden voorwaardelijk wegens het niet of niet tijdig indienen van de belastingaangiften [1].

De feiten

De verdachte was enig aandeelhouder en bestuurder van een holdingvennootschap met meerdere dochtervennootschappen. Geen van deze vennootschappen deed tijdig aangifte vennootschapsbelasting over de jaren 2020 en 2021. Ondanks daartoe te zijn uitgenodigd (en herinnerd en aangemaand), verstreek de termijn in 2022 en 2023. De aangiften werden uiteindelijk pas op 28 juni 2024 ingediend, nadat de FIOD een strafrechtelijk onderzoek was gestart. De Belastingdienst had de belastbare bedragen moeten schatten, wat resulteerde in een totaal fiscaal nadeel van ruim 2,8 miljoen euro.

Het niet of niet tijdig doen van aangifte

De verdediging voerde meerdere verweren. Het eerste verweer was dat de aangiftes in 2024 alsnog zijn ingediend. Er kan daarom geen veroordeling volgen voor het niet doen van aangiften. Omdat de aangiften uiteindelijk wél zijn ingediend, volgt gedeeltelijke vrijspraak voor het onderdeel ‘niet doen’ van de aangiften. Het onderdeel ‘niet tijdig doen’ kan volgens de rechtbank wel worden bewezen.

Ontvangst uitnodiging en aanmaning voor het doen van aangifte

Het verweer dat de aanmaningen niet aantoonbaar waren ontvangen, wordt door de rechtbank verworpen. De verdachte had zelf verklaard zijn personeel te hebben aangespoord om ‘op te schieten’ met de aangiften. Daaruit concludeerde de rechtbank dat hij op de hoogte was van de geldende termijnen. De vertraging was ook gelegen in de FIOD-inval en de omstandigheid dat de vaste accountant niet langer voor hem wilde werken. Bovendien had de belastingadviseur veelvuldig contact gehad met de Belastingdienst over de achterstand in het doen van aangiften.

Ook als aangiften worden gevolgd, kan het niet of te laat indienen van aangiften ertoe leiden dat wordt voldaan aan het strekkingsvereiste

Strekkingsvereiste

Het verweer dat niet is voldaan aan het strekkingsvereiste – omdat de uiteindelijk ingediende aangiften werden gevolgd, waardoor niet te weinig belasting is geheven – slaagt evenmin. Beslissend is of de verboden gedraging naar haar aard in het algemeen geschikt is om te bewerkstelligen dat onvoldoende belasting wordt geheven. Dat is volgens de rechtbank het geval, onder verwijzing naar rechtspraak van de Hoge Raad [2]

Strafoplegging

De verdachte werd niet vervolgd als pleger (dus het beroep op art. 69 AWR als kwaliteitsdelict wordt verworpen), maar als feitelijk leidinggevende van het bedrijf. De rechtbank stelde vast dat hij zich — ook buiten zijn formele bevoegdheden — presenteerde en gedroeg als eindverantwoordelijke van alle rechtspersonen. Dat had hij zelf ook erkend en is door de verdediging niet betwist.

Bij de strafmaat woog de rechtbank zwaar mee dat de administratieve problemen al teruggingen tot 2013 en 2014, dat in 2019 al een FIOD-inval had plaatsgevonden en dat de verdachte eerder, op 15 april 2025, (niet-onherroepelijk) was veroordeeld voor vergelijkbare feiten over de jaren 2017 en 2018. De rechtbank paste artikel 63 Sr toe, omdat de zaken gelijktijdig hadden kunnen worden behandeld. De LOVS-oriëntatiepunten gaan bij een benadelingsbedrag van meer dan 1 miljoen euro uit van 24 maanden tot maximaal 4 jaar gevangenisstraf.

De rechtbank legt uiteindelijk 18 maanden op, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

———————————————

[1] Rechtbank Oost-Brabant 7 mei 2026, ECLI:NL:RBOBR:2026: 2871.

[2] Hoge Raad 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3431.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.