Schending recht op privacy bij informatie-uitwisseling op grond van artikel 55 AWR tussen Openbaar Ministerie en Belastingdienst
ANNOTATIE NLF 2026/0274
3 maart 2026
Hof Den Bosch oordeelde in een zaak over de uitwisseling van informatie tussen de Belastingdienst en het Openbaar Ministerie. De belastingplichtige stelde dat die informatie-uitwisseling onrechtmatig is geweest en dat dit een schending van het recht op privacy opleverde [1].
Feiten in de zaak
In deze zaak waren er contante stortingen te zien op de bankrekening van de belastingplichtige. De Belastingdienst heeft op grond van artikel 55 AWR een verzoek aan het Openbaar Ministerie gedaan om alle gegevens te verkrijgen uit het strafrechtelijk onderzoek. Dat verzoek is geaccordeerd door de officier van justitie. De Belastingdienst heeft vervolgens o.a. het ontnemingsrapport ontvangen, waarin door de financieel rechercheur van de politie is omschreven welk wederrechtelijk verkregen voordeel de belastingplichtige zou hebben genoten.
In de strafzaak heeft het Openbaar Ministerie de verdachte een transactie aangeboden (artikel 74 Sr), waarmee de verdachte akkoord is gegaan. Bij de rechtbank zijn de medewerkers van de Belastingdienst als getuige gehoord.
De vernietiging van de administratie is het OM aan te rekenen en de rechterlijke reactie kan niets anders dan niet-ontvankelijkheid zijn
Informatie-uitwisseling op grond van 55 AWR
De belastingplichtige stelde dat het ontnemingsrapport (dat is verkregen op grond van het artikel 55 AWR-verzoek) van het bewijs moet worden uitgesloten. De inspecteur kan namelijk niet toelichten hoe hij wist dat er een strafrechtelijk onderzoek naar de belastingplichtige liep. Daarom moet er volgens de belastingplichtige vanuit worden gegaan dat deze informatie op onrechtmatige wijze is verkregen. Dit moet ertoe leiden dat het rapport van het bewijs wordt uitgesloten.
Het hof overweegt dat de Belastingdienst geen opheldering heeft kunnen geven over hoe, van wie en wanneer de melding is gedaan dat er een strafrechtelijk onderzoek naar de belastingplichtige liep. “Het bevreemdt het hof dat binnen de systemen van de Belastingdienst hier kennelijk geen vastlegging (meer) van is”. Daarom gaat het hof er veronderstellenderwijs vanuit dat de informatie onrechtmatig is verkregen, en dit aan de inspecteur toe te rekenen is.
Bewijsuitsluiting?
De vervolgvraag is of de verkregen stukken (ontnemingsrapportage en bankafschriften) als gevolg van de onrechtmatige informatiedeling van het bewijs moeten worden uitgesloten.
Het hof oordeelt dat de onrechtmatigheid voorafgaande aan het artikel 55 AWR-verzoek niet de rechtmatigheid van het artikel 55 AWR-verzoek aantast. De inspecteur kan in beginsel de ontvangen stukken gebruiken. Dit is anders als het onrechtmatige voortraject heeft geleid tot een schending van een grondrecht van de belastingplichtige. Als dat het geval is, dan is niet uitgesloten dat de rechter oordeelt dat de informatiedeling heeft plaatsgevonden op een wijze die zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelende overheid mag worden verwacht, dat de verkregen informatie van het bewijs moet worden uitgesloten.
Een schending van het recht op privacy is niet zo’n uitzonderlijke situatie, zo overweegt het hof onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad over de FSV-database [2]. Het hof oordeelt dat het ontnemingsrapport niet van het bewijs hoeft te worden uitgesloten. De ontvangen bankafschriften zijn niet aan de belastingaanslag ten grondslag gelegd, dus zijn niet als bewijsmiddel gebruikt.
Tot slot
Het hof wijdt ook nog overwegingen aan de zaakstukken. De belastingplichtige had gesteld dat niet alle zaakstukken zijn verstrekt, omdat de interne vastleggingen over de informatiedeling niet zijn overgelegd. Het hof begrijpt dit standpunt van de belastingplichtige zo dat dit is ingenomen in het kader van het standpunt over de informatiedeling en de het hof de belastingplichtige daarin al is gevolgd, zodat deze vraag geen beantwoording meer hoeft.
Voor NLFiscaal schreef ik over deze uitspraak een annotatie, die te vinden is via NLF 2026/0274. Daarin ga ik o.a. in op de vraag of niet alsnog die stukken hadden moeten worden verstrekt, omdat het van belang is om te weten wanneer de inspecteur op de hoogte raakte over het strafrechtelijk onderzoek. Dit kan namelijk van belang zijn voor de aan de belastingplichtige toekomende rechten op grond van artikel 6 EVRM.
———————————————
[1] Gerechtshof Den Bosch 14 januari 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:55 (gepubliceerd op 3 februari 2026).
[2] Hoge Raad 10 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1748.


