Doet de verdachte afstand van het recht op rechtsbijstand?
20 januari 2026
Een verdachte heeft het recht op rechtsbijstand. Maar er kan vrijwillig en ondubbelzinnig afstand van dit recht worden gedaan. De Hoge Raad oordeelt hierover op 6 januari 2026 [1].
Recht op rechtsbijstand
In artikel 6 EVRM is opgenomen dat eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, recht heeft op bijstand van een raadsman naar eigen keuze, of indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te kunnen betalen, dan krijgt hij kosteloos een toegevoegd raadsman die hem kan bijstaan (indien de belangen van een behoorlijke rechtspleging dit eisen).
In de nationale wetgeving in artikel 28 Sv is opgenomen dat een verdachte het recht heeft om zich te laten bijstaan door een raadsman. Die rechtsbijstand wordt verleend door een aangewezen of gekozen raadsman. Vervolgens is in artikel 28a Sv bepaald dat een verdachte vrijwillig en ondubbelzinnig afstand kan doen van het recht op rechtsbijstand.
Afstand doen van het recht op rechtsbijstand?
Het hof oordeelde als volgt over het recht op rechtsbijstand, waarbij de feiten in deze zaak van groot belang zijn. De verdachte stond sinds mei 2017 ingeschreven in Marokko. Vanaf die datum hebben er een aantal zittingen plaatsgevonden, te weten in 2019, 2020 en 2022. Op een van die zittingen heeft de raadsman aangegeven dat de verdachte op de hoogte was van de zitting.
Voor de zitting in 2023 was opnieuw een oproeping naar het BRP-adres in Marokko gestuurd. Naar dat adres waren de eerdere oproepingen ook gestuurd. Zo’n 2 weken voor de zitting heeft de raadsman zich onttrokken aan de zaak.
Het hof acht aannemelijk dat de verdachte ‘niet zoek is’ en weet dat de raadsman zich aan de zaak heeft onttrokken. De verdachte is niet op zitting verschenen en er is geen aanhoudingsverzoek gedaan. Uit de gang van zaken concludeert het hof dat de verdachte zich passief opstelt. Die constatering acht het hof van belang voor de beoordeling van de vraag of hij afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.
De verdachte heeft het recht om zich, overeenkomstig de bepalingen van dit wetboek, te doen bijstaan door een raadsman.
Volgens het hof is het een eigen verantwoordelijkheid van de verdachte dat hij zich inspant om een advocaat in te schakelen, of zelf ter zitting te verschijnen. Nu o.a. hij wist van de zitting, geen vervangende raadsman heeft gestuurd en niet zelf is verschenen, oordeelt het hof dat hij afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand.
Hoge Raad oordeelt andersluidend
De Hoge Raad overweegt dat de overwegingen van het hof dat de oproeping naar hetzelfde BRP-adres is gestuurd als de eerdere oproepingen en de raadsman heeft medegedeeld dat de verdachte op de hoogte was van een zitting, niet het oordeel kunnen dragen dat de verdachte op de hoogte was van die zitting in 2023 en dat hij weet dat de raadsman zich heeft onttrokken. Het oordeel dat daarop voortbouwt (nl. dat rechtsgeldig afstand is gedaan van het recht op rechtsbijstand) is ontoereikend gemotiveerd. Een dergelijke afstand van dat recht kan ook niet worden gebaseerd op omstandigheden zoals de procesopstelling.
Afrondend
De Hoge Raad oordeelt dat het cassatiemiddel slaagt en dat de zaak terug wordt verwezen naar het hof. Het hof moet de zaak opnieuw berechten en afdoen.
———————————————
[1] Hoge Raad 6 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:15.


