Vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek aankaarten bij rechter-commissaris of zittingsrechter?
13 januari 2026
De Hoge Raad oordeelt in een arrest van 9 december 2025 over het moment waarop vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek door de verdediging aan de orde moeten worden gesteld. Er zijn twee situaties te onderscheiden: vormverzuimen die bij de rechter-commissaris aan moeten worden voorgelegd en vormverzuimen die aan de zittingsrechter moeten worden voorgelegd [1].
De feiten en het oordeel van het hof
In cassatie bij de Hoge Raad werd erover geklaagd dat het hof het verweer strekkende tot strafvermindering had verworpen. De verdediging had namelijk bepleit dat strafvermindering moest volgen wegens een vormverzuim bij de aanhouding van de verdachte. Er zou sprake zijn van disproportioneel geweld, wat een onherstelbaar vormverzuim is in de zin van artikel 359a Sv. De politie zou zich niet aan de vuurwapeninstructie hebben gehouden, waardoor de verdachte zwaar lichamelijk letsel heeft opgelopen.
Het hof beoordeelt of het vormverzuim aan de rechter-commissaris had moeten worden voorgelegd. Het gesloten stelsel van rechtsmiddelen zou op onaanvaardbare wijze worden doorkruist als bij de terechtzitting dit verweer opnieuw of alsnog zou kunnen worden gevoerd. Volgens het hof had het verweer ten aanzien van het disproportionele geweld gevoerd moeten worden bij de rechter-commissaris – dit is niet gebeurd. Daarom is volgens het hof op dit vormverzuim artikel 359a Sv niet van toepassing.
Ten overvloede overweegt het hof dat als artikel 359a Sv wel van toepassing is, geen strafvermindering zou volgen nu de verdachte voor het letsel gecompenseerd gaat worden in de civiele procedure.
Het oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad verwijst naar een arrest uit 2001, waarin is geoordeeld dat bepaalde verzuimen bij de aanhouding en inverzekeringstelling die aan de orde kunnen worden gesteld bij de rechter-commissaris bij de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling, niet zijn begrepen onder de vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek ex artikel 359a Sv. Die verzuimen kunnen niet aan de zittingsrechter worden voorgelegd [2]. In het Afvoerpijp-arrest uit 2004 heeft de Hoge Raad het “in het arrest van 8 mei 2001 geformuleerde uitgangspunt in iets andere bewoordingen tot uitdrukking gebracht” [3].
In het strafproces staat centraal dat de rechter zoveel mogelijk een inhoudelijk oordeel velt over de beschuldiging en zo recht spreekt in een concrete zaak
De Hoge Raad overweegt in het arrest in 2025 dat de wetgever al voor de invoering van artikel 359a Sv heeft voorzien in een stelsel van toezicht en rechterlijke toetsing op beslissingen inzake de inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis. Het lijkt er niet op dat de wetgever een mogelijkheid wilde creëren voor de verdachte om in een later stadium – op de terechtzitting – een punt daarover (alsnog) aan te kunnen vechten.
Hoge Raad: is toetsing van belang voor de vragen uit 348 en 350 Sv?
De Hoge Raad overweegt dat gelet op de rechtspraak over artikel 359a Sv van latere datum, een ander vertrekpunt wordt genomen: als sprake is van een vormverzuim, dan staat het in aanmerking nemen of in aanmerking genomen konden worden van zo’n verweer bij de rechter-commissaris, er niet aan in de weg dat dit vormverzuim in aanmerking wordt genomen bij de beoordeling van de strafzaak.
De zittingsrechter moet zich concentreren op de beantwoording van de vragen uit artikel 348 en 350 Sv. Voor de inverzekeringstelling/voorlopige hechtenis geldt dat dit in mindering wordt gebracht op de opgelegde straf (artikel 26 Sr), hetzij dat dit aanleiding kan geven voor schadevergoeding (artikel 533 Sv). Dan kan er daarna geen nadeel meer zijn voor de verdachte die aanleiding kan geven voor strafvermindering. Voor vormverzuimen die niet in rechtstreeks verband staan tot de vrijheidsbeneming, geldt dat zij ofwel niet van belang zijn voor de vragen uit artikel 348 en 350 Sv (en daarom niet in aanmerking komen voor een rechtsgevolg uit artikel 359a Sv), ofwel dat zij dat wel doen en daarom ook op zitting aan de orde kunnen worden gesteld.
Tot slot
Het oordeel van het hof (dat het disproportionele geweld bij de rechter-commissaris had moeten worden aangevoerd) getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Ook het oordeel van het hof dat de schade in de civiele procedure wordt vergoed, kan in cassatie de toets niet doorstaan. Dat oordeel is niet toereikend gemotiveerd. De uitspraak van het hof wordt vernietigd voor wat betreft de strafoplegging en de zaak wordt teruggewezen.
——————————
[1] Hoge Raad 9 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1868.
[2] Hoge Raad 8 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1566.
[3] Hoge Raad 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533 (Afvoerpijp).


