Niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie na sluiten transactie met OM en VSO met Belastingdienst

16 december 2025

In een tweetal zaken oordeelde de Rechtbank Overijssel dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijkheid in de strafvervolging was, vanwege het sluiten van een transactie met de verdachte [1].

De verdenking

In deze twee zaken werden twee verdachten ervan verdacht zich schuldig te hebben gemaakt aan witwassen (feit 1), het medeplegen of opdrachtgeven/feitelijk leidinggeven aan het valselijk opmaken of vervalsen van de bedrijfsadministratie en/of loonadministratie (feit 2) en het medeplegen of opdracht geven/feitelijk leidinggeven aan het plegen van belastingfraude (feit 3). 

Het verzoek het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren

Tussen het Openbaar Ministerie en de verdachten is een transactie gesloten, waardoor het belang bij strafvervolging is komen te vervallen. De officier van justitie vorderde ter zitting de eigen niet-ontvankelijkheid. Daarbij is vermeld dat vanaf het moment van inverzekeringstelling zo’n 8 jaar zijn verstreken. 

Ook de verdediging verzocht de rechtbank om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren. Het zijn zeer oude feiten, de verdachten hebben met de Belastingdienst een vaststellingsovereenkomst gesloten en de daarin gestelde voorwaarden zijn nagekomen. Het fiscale nadeel is ongedaan gemaakt. Bij de transactieovereenkomst is daarna nog een addendum gevoegd, waarin als voorwaarde is opgenomen dat de verdachten een geldsom betalen en onbetaalde arbeid zullen verrichten. 

Het verzoek is om het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren nu een transactie met de verdachte is gesloten

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat de vaststellingsovereenkomst met de Belastingdienst is gesloten en de daarin opgenomen afspraken zijn nagekomen.  Ook stelt de rechtbank vast dat het Openbaar Ministerie een transactievoorstel heeft gedaan, en dit is geaccepteerd door de verdachten. De rechtbank acht zich ervan overtuigd dat de verdachte weloverwogen van een rechtelijke toetsing van de vragen uit artikel 348 en 350 Sv wenst af te zien.

De verdenking ziet op 6-jaars feiten, zodat een transactievoorstel mag worden gedaan. Er zijn geen andere procesafspraken gemaakt. Het Openbaar Ministerie heeft toegezegd de vervolging te staken. Er bestaat tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie en de verdediging geen overeenstemming over de reden voor de niet-ontvankelijkheid, de bewijsbaarheid, strafbaarheid en straftoemeting. 

De rechtbank overweegt dat de redelijke termijn is overschreden. Hoewel dit  geen reden is voor de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie, is de rechtbank van oordeel dat er naast de forse termijnoverschrijding ook andere omissies in de strafprocedure zijn. 

Alles tezamen oordeelt de rechtbank dat het beginsel van een redelijke en billijke belangenafweging ertoe leidt dat enig te respecteren belang bij de voortzetting van de strafvervolging is komen te vervallen. Het Openbaar Ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard. Dat oordeel wordt versterkt doordat het Openbaar Ministerie door het aangaan van de transactie bij de verdachte het vertrouwen heeft gewekt dat hij niet zal worden vervolgd.

Tot slot

Hoewel zowel het Openbaar Ministerie en de verdediging verzoeken om de niet-ontvankelijkverklaring, velt de rechtbank een eigen oordeel. Er wordt getoetst of de verdachte weloverwogen afstand doet van een rechtelijke toetsing op grond van artikel 348 en 350 Sv. Uiteindelijk volgt de rechtbank het standpunt van het Openbaar Ministerie en de verdediging, zij het deels op andere gronden.

——————————

[1] Rechtbank Overijssel 17 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6656 en Rechtbank Overijssel 17 november 2025, ECLI:NL:RBOVE:2025:6657.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.