Afsluitende brief FSV-registratie is besluit waartegen bezwaar en beroep mogelijk is
ANNOTATIE NTFR 2025/1227
14 augustus 2025
De Belastingdienst heeft enige tijd gebruik gemaakt van systemen met als doel om mogelijke signalen van belastingfraude te signaleren. Omdat het systeem Fraude Signalering Voorziening (FSV) niet voldeed aan bepaalde eisen (zoals de AVG) is het systeem begin 2020 uitgezet en niet meer gebruikt. Personen die hierin waren geregistreerd kregen hierover een brief. Daarna is een brief gestuurd aan deze personen met de mededeling of ze in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. De vraag is of die brief een besluit is en daartegen rechtsmiddelen kunnen worden aangewend. Daarover oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State op 18 juni 2025 [1].
De FSV-database en een FSV-registratie
De Belastingdienst heeft van 2012 tot en met 27 februari 2020 de FSV gebruikt om signalen van mogelijke belastingfraude in te vermelden. Dat konden interne of externe signalen zijn. Uit onderzoek is gebleken dat dit systeem niet voldeed aan de voorwaarden, waaronder de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). De Belastingdienst heeft het systeem stopgezet en niet meer gebruikt.
Personen met een FSV-registratie hebben hierover een brief gekregen, met de mededeling dat ze inzage konden krijgen in de geregistreerde persoonsgegevens. Daarna is een brief gestuurd om de betreffende personen op de hoogte te stellen of ze al dan niet in aanmerking komen voor een financiële tegemoetkoming. Dit wordt ook wel ‘de afsluitende brief’ genoemd.
De betrokkene in deze zaak had een brief gekregen dat hij niet in aanmerking kwam voor een financiële tegemoetkoming. De FSV-registratie had namelijk volgens de minister geen gevolgen voor hem gehad en zijn gegevens niet zijn gedeeld met andere organisaties. Daar was hij het niet mee eens en ondernam actie.
Verloop van de procedure
De betrokkene maakte bezwaar tegen de afsluitende brief, waarop de minister dit bezwaar niet-ontvankelijk verklaarde. Volgens de minister betrof het een afsluitende brief, die enkel informatief van aard is en dus geen besluit in de zin van art. 1:3 Awb. Daarom kan volgens de minister geen bezwaar worden gemaakt tegen de afsluitende brief.
De betrokkene is in beroep gegaan. De rechtbank oordeelde dat is gebleken dat wordt gewerkt aan een regeling voor personen die in de FSV zijn opgenomen en daarvan nadelige gevolgen hebben ondervonden. De minister heeft zich onder die omstandigheden terecht op het standpunt gesteld dat de afsluitende brief geen besluit is. Bij gebrek aan een publiekrechtelijke grondslag is de mededeling in de afsluitende brief dat de betrokkene geen financiële tegemoetkoming krijgt niet gericht op een rechtsgevolg. De minister heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.
De afsluitende brief naar aanleiding van een FSV-registratie is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb
Oordeel in hoger beroep: afsluitende brief is besluit
De Afdeling oordeelt in hoger beroep dat er compensatiebeleid is opgesteld voor personen met een FSV-registratie en daar onterechte en/of nadelige gevolgen van hebben ondervonden. Een van die effecten is ‘schade wegens schending van de AVG’. Voor de vergoeding van schade hiervan is tot op heden geen wetsvoorstel ingediend of beleidsregels opgesteld.
Volgens de Afdeling is van belang dat de minister 3 groepen heeft geïdentificeerd die in aanmerking kunnen komen voor een immateriële schadevergoeding. Valt iemand in een van die groepen, dan wordt een immateriële schadevergoeding toegekend. Voor dit tegemoetkomingsbeleid bestaat geen wettelijke basis. De basis is niet art. 82 AVG. Omdat het tegemoetkomingsbeleid geen grondslag heeft in een wettelijk voorschrift, betekent dit volgens de Afdeling, dat sprake is van buitenwettelijk begunstigend beleid. Dat kan vervolgens dienen als buitenwettelijke bevoegdheidsgrondslag voor het nemen van besluiten.
Dat brengt de Afdeling tot de conclusie dat een beslissing is genomen op basis van het tegemoetkomingsbeleid wegens immateriële schade, en dat dit een financiële aanspraak beoogt toe te kennen of te onthouden. Dat is een besluit in de zin van art. 1:3 Awb. In andere woorden: tegen de afsluitende brief kunnen rechtsmiddelen worden aangewend.
De conclusie
De Afdeling vernietigt de uitspraak van de rechtbank en draagt de minister op om binnen 12 weken opnieuw uitspraak op bezwaar te nemen. Vanuit het oogpunt van een efficiënte geschilbeslechting geeft de Afdeling de minister ook nog wat punten mee waarop moet worden beslist in het besluit. Voor het NTFR heb ik deze uitspraak van een annotatie voorzien. Deze uitspraak hangt samen met de uitspraak van de Afdeling van dezelfde datum, over een inzageverzoek naar aanleiding van de FSV-registratie.
Meer weten?
De annotatie bij deze uitspraak is te vinden via NTFR 2025/1227.
———————————————
[1] ABRvS 18 juni 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2730.


