Cassatie in belang der wet: beroep op vertrouwensbeginsel bij een Facebook-bericht van de Minister van Financiën op Curaçao?

ANNOTATIE NTFR 2025/669

29 april 2025

Al eerder is geschreven over het voornemen om cassatie in belang der wet in te stellen tegen de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie [1] over o.a. het ontlenen van vertrouwen aan Facebook-berichten van de Minister van Financiën op Curaçao over de invordering van belastingschulden. Kan hiervoor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel worden gedaan? Op 28 maart 2025 heeft A-G Wattel een vordering tot cassatie in belang der wet ingediend [2].

Cassatie in belang der wet

A-G Wattel heeft een vordering tot cassatie in belang der wet ingediend bij de Hoge Raad. Aanleiding hiervoor was de uitspraak van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie, waarin een aantal punten aan de orde zijn gekomen. Een belangrijk oordeel is dat het Gemeenschappelijk Hof heeft geoordeeld dat het beroep van de belastingplichtige niet-ontvankelijk is, wegens gebrek aan belang. De belastingplichtige mocht van het Gemeenschappelijk Hof namelijk vertrouwen ontlenen aan de Facebook-berichten van de Minister van Financiën van Curaçao dat de belastingaanslagen over 2017 en ouder zouden worden ‘gecanceld’ (dus niet meer zouden worden ingevorderd). 

Volgens A-G Wattel is zowel de niet-ontvankelijkverklaring als de toepassing van het vertrouwensbeginsel onjuist en is vernietiging ervan vereist in het belang der wet (par. 1.1).

Middel tot cassatie: was de belastingrechter bevoegd te oordelen over de invordering?

De A-G vat de vordering tot cassatie in belang der wet als volgt samen ten aanzien van het oordeel van de belastingrechter over de invordering (par. 1.8).

Het hof heeft zich volgens de A-G ten onrechte bevoegd geacht te oordelen over de vraag of de belastingplichtige met succes een beroep kon doen op het vertrouwen dat met de Facebook-berichten van de Minister van Financiën op Curaçao zou kunnen zijn gewekt. De belastingrechter gaat niet over de invorderingshandelingen van de ontvanger, maar over de heffing van belastingen. Het zou de burgerlijke rechter moeten zijn die oordeelt over de invordering van belastingen. 

Nu het Gemeenschappelijk Hof heeft geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk is, blijft de ontvanger een titel behouden om in te vorderen. Niets staat eraan in de weg dat de ontvanger overgaat tot invordering van de belastingen, want deze staan nu onherroepelijk vast doordat het Gemeenschappelijk Hof de belastingplichtige in het beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard.

Hierover is reeds eerder een annotatie geschreven voor het NTFR, waarnaar ik graag verwijs [3]. Naar mijn mening is het inderdaad zo dat de belastingrechter dient te oordelen over de heffing en de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen over de invordering van belastingen (uitzonderingen daargelaten). Deze vordering tot cassatie in belang der wet zal zeker bijdragen aan een verduidelijking hiervan.

Middel tot cassatie: terecht beroep op het vertrouwensbeginsel en daardoor niet-ontvankelijkverklaring van het beroep?

De A-G stelt ook een vordering tot cassatie in belang der wet voor ten aanzien van het beroep op het vertrouwensbeginsel, doordat het hof het beroep van de belastingplichtige op het vertrouwen te ontlenen aan de Facebook-berichten van de Minister van Financiën van Curaçao heeft gehonoreerd en daardoor ten onrechte het beroep van de belastingplichtige niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens gebrek aan belang (par. 1.9). 

Volgens de A-G kunnen de Facebook-berichten niet worden aangemerkt als behoorlijk gepubliceerde beleidsregels, alleen al omdat er zonder een Facebook-account geen kennis van kan worden genomen. Bovendien is het bericht nauwelijks terug te vinden in de ‘onoverzichtelijke’ stroom van privé berichten op Facebook, afgewisseld met meer bestuurlijke berichten. Er is volgens hem dan ook geen sprake van een behoorlijke officiële publicatie en van toegankelijkheid is geen sprake. Naar zijn mening kunnen burgers en bedrijven niet voor overheidsvoorlichting afhankelijk worden gemaakt  van dergelijke media. Het klemt voor de A-G temeer omdat het om een privé account gaat van de Minister van Financiën.

Mag vertrouwen worden ontleend aan hetgeen de Minister van Financiën op zijn persoonlijke Facebook-pagina schrijft?

 

Volgens de A-G kwalificeert het Facebook-bericht ook niet als toezegging, omdat een algemene, ongerichte toezegging een beleidsregel zou zijn. Daarbij stelt hij dat de vraag kan worden gesteld of een dergelijke uitlating op Facebook überhaupt als overheidsgedraging kan worden beschouwd. 

Als het Facebook-bericht wel als behoorlijk gepubliceerde officiële bekendmaking geldt, dan kan het volgens de A-G hoogstens om een (onjuiste) voorlichting gaan. Er bestaat immers geen bevoegdheid tot ‘cancelen’, want er is geen bevoegdheid tot kwijtschelding, en ‘buiten invorderinstelling is een geenszins onherroepelijke interne boeking’. Hiervoor is het dispositie-vereiste ook van belang, omdat vereist is dat de belastingplichtige iets heeft gedaan of nagelaten naar aanleiding van dat Facebook-bericht. Volgens de A-G blijkt uit niets dat de belastingplichtige iets heeft gedaan of nagelaten in vertrouwen op het Facebook-bericht, dat zij zonder dat bericht niet zou hebben gedaan of nagelaten. Het Gemeenschappelijk Hof heeft dit laatste ook niet onderzocht.

Aan het poko poko-beginsel komt de A-G dan ook niet toe.

Hoe nu verder?

Het is een interessante vraag of vertrouwen mag worden ontleend aan Facebook-berichten van de Minister van Financiën op Curaçao. In de vordering tot cassatie in belang der wet gaat de A-G in op het ‘poko poko-principe’, wat kort gezegd inhoudt (mijn interpretatie) dat het Nederlandse overheidshandelen anders is dan het Curaçaose en dat de Nederlandse maatstaven niet ‘op Curaçao’ kunnen worden geplakt. Dat principe speelt naar mijn idee hier juist wel een rol, omdat het erom gaat wat gebruikelijk is op Curaçao. Als het voor de bevolking heel normaal is dat berichten via Facebook worden gedeeld en van daaruit in de lokale kranten terechtkomen, dan zou dat het vertrekpunt moeten zijn. Onder andere hierop ga ik in de annotatie voor het NTFR in.

Meer weten?

De annotatie te vinden via NTFR 2025/699. 

———————————————

[1] Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 10 augustus 2023, ECLI:NL:OGHACMB:2023:147.

[2] Conclusie A-G Wattel 28 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:385.

[3] K.M.G. Demandt, ‘Cassatie in belang der wet tegen uitspraak Gem. Hof van Justitie over buiten invorderingstelling van oude belastingschulden op Curaçao’, NTFR 2025/372.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.