De onschuldpresumptie: doorwerking strafrechtelijke vrijspraak naar de belastingzaak
ANNOTATIE NLF 2025/800
22 april 2025
De onschuldpresumptie is een belangrijk recht dat voortvloeit uit onder andere art. 6 EVRM. Kort gezegd komt het erop neer dat iemand onschuldig is tot het tegendeel is bewezen. In het belastingrecht en strafrecht kan de onschuldpresumptie een belangrijke rol spelen, als zowel de belastingrechter als de strafrechter over dezelfde feiten moeten gaan oordelen.. Dat was aan de hand bij een zaak bij Rechtbank Noord-Holland van 14 maart jl. [1].
De wisselwerking tussen het belastingrecht en strafrecht
Gelet op de duale sanctionering van fiscale overtredingen kan een belastingplichtige voor 1 overtreding fiscaal worden beboet of strafrechtelijk worden vervolgd. Als wordt gekozen voor een strafrechtelijke vervolging, dan onderzoekt het Openbaar Ministerie of een strafbaar feit heeft plaatsgevonden. Als dat volgens het Openbaar Ministerie het geval is, dan wordt de zaak voorgelegd aan de strafrechter. Dit laat onverlet dat in de fiscale procedure moet worden vastgesteld of te weinig belasting is voldaan.
Zodoende moeten zowel de strafrechter als de belastingrechter oordelen over de vraag of er een onjuiste of onvolledige belastingaangifte is gedaan. De belastingrechter beoordeelt of de aangifte onjuist of onvolledig is gedaan en er nog belasting moet worden betaald en de strafrechter beoordeelt of sprake is van het opzettelijk doen van een onjuiste of onvolledige aangifte, hetgeen als strafbaar feit kwalificeert. De onschuldpresumptie speelt hierbij een belangrijke rol.
De onschuldpresumptie
De onschuldpresumptie houdt in dat iemand voor onschuldig moet worden gehouden totdat het tegendeel is bewezen. Als de strafrechter in de strafzaak oordeelt dat geen sprake is van een strafbaar feit en de verdachte wordt vrijgesproken van het doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte, dan werkt de onschuldpresumptie door naar de belastingzaak. Dit wordt duidelijk in de zaak waarover Rechtbank Noord-Holland oordeelde [2].
De feiten van de zaak
De belastingplichtige was 1 van de verdachten in een strafrechtelijk onderzoek naar grensoverschrijdende btw-fraude. Het vermoeden bestond dat de afnemers fraudeerden door bij de doorlevering de btw niet te voldoen, terwijl de afnemers wel de vooraftrek in aftrek brachten. De verdenking was dat de belastingplichtige onjuiste aangiften omzetbelasting had gedaan door ten onrechte het nultarief toe te passen.
De belastingrechter sluit zich aan bij de vrijspraak van de strafrechter en vernietigt de naheffingsaanslag omzetbelasting
Naar aanleiding van het strafrechtelijk onderzoek is een boekenonderzoek door de Belastingdienst uitgevoerd. In dat onderzoek is gesteld dat de belastingplichtige onderdeel is van geweest van een keten waarin btw-fraude werd gepleegd en dat de belastingplichtige dit wist of had moeten weten en niet alles heeft gedaan wat redelijkerwijs van haar mocht worden gevergd om dit te voorkomen.
Vervolgens wordt de belastingplichtige in de strafzaak vrijgesproken. In de belastingzaak is vervolgens de vraag of en hoe deze vrijspraak doorwerkt naar de belastingzaak.
Het oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat het oordeel van de strafrechter ziet op de dezelfde feiten en transacties als die aan de orde zijn in de belastingprocedure. In beide zaken gaat het om de vraag of sprake is van onjuiste aangiften omzetbelasting, waardoor te weinig belasting is voldaan. De strafrechter heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is.
De belastingrechter overweegt dat als nu anders zou worden geoordeeld dan de strafrechter, dan zou de belastingrechter twijfel doen ontstaan over de juistheid van de vrijspraak. Uit het arrest Melo Tadeu van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) vloeit voort dat dan de onschuldpresumptie wordt geschonden. De belastingrechter ziet onvoldoende aanknopingspunten om over de feiten en omstandigheden anders te oordelen dan de strafrechter. De conclusie luidt dat de naheffingsaanslag omzetbelasting moet worden vernietigd.
Tot slot
Uit deze uitspraak wordt duidelijk dat de onschuldpresumptie verstrekkende gevolgen kan hebben. De strafrechter spreekt de verdachte vrij van het doen van onjuiste aangiften omzetbelasting en de belastingrechter volgt dit oordeel. De slotsom had anders kunnen luiden als er ander bewijsmateriaal was geweest bijv., maar dat was hier blijkbaar niet het geval.
Voor NLFiscaal schreef ik over de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland en de rol van de onschuldpresumptie in deze belastingzaak.
Meer weten?
De annotatie is te vinden via NLF 2025/800.
———————————————————
[1] Rechtbank Noord-Holland 14 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:3614.
[2] Rechtbank Noord-Holland 14 maart 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:3614.


