Vernietiging boete in beroep vanwege grondslagwijziging boete
5 mei 2026
Als de inspecteur een boete oplegt, dan moet daaraan voorafgaand zijn medegedeeld wat de grondslag van de boete is. Dat is een uitvloeisel uit artikel 6 EVRM. Een belastingplichtige moet weten waar hij zich tegen moet verdedigen. In een zaak bij Hof Den Haag stond de wijziging van de grondslag van de boete door de inspecteur ter discussie [1].
De feiten in de zaak
De inspecteur heeft een naheffingsaanslag verbruikbelasting opgelegd over de jaren 2017 t/m 2019 en een verzuimboete op grond van artikel 67c AWR van circa € 14.800. In de bezwaarfase is de boete verminderd tot circa € 6.300. Daarbij is vermeld dat de boetegrondslag van artikel 67c AWR niet juist is. Die boetebepaling ziet op het wel doen van aangifte, maar niet betalen daarvan. De boete is gebaseerd op artikel 67d AWR, waarin de vereiste aangifte niet is gedaan, aldus de uitspraak op bezwaar van de inspecteur. Er zou namelijk 93 keer geen aangifte zijn gedaan, waarvan evenzoveel verzuimboetes van € 68 kunnen worden opgelegd, met een totaal van € 6.324.
Het oordeel van de rechtbank
In de beroepsfase heeft de rechtbank vervolgens de boetebeschikking vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat de verzuimboete niet tijdig is opgelegd. Op grond artikel 67b, lid 3 AWR vervalt de termijn voor het opleggen van een boete door verloop van 1 jaar na het einde van de termijn waarbinnen aangifte had moeten worden gedaan. Nu de boete is opgelegd op 1 december 2021 en de tijdvakken 2017 t/m 2019 betreffen, is de boete te laat opgelegd.
Daarnaast verzet het rechtzekerheidsbeginsel zich ertegen dat de inspecteur in de beroepsfase kan terugvallen op artikel 67c AWR, door in het nadeel van de belastingplichtige de boetegrondslag te veranderen.
Het in bezwaar en beroep steeds wisselen van de boetegrondslag is in strijd met artikel 67g, lid 2 AWR en artikel 5:9 Awb
Hof: grondslagwijziging boete
De inspecteur stelt in hoger beroep dat niet een nieuwe verzuimboete is opgelegd. In de uitspraak op bezwaar zou zijn gepoogd de boete van een andere grondslag te voorzien, namelijk artikel 67b AWR in plaats van artikel 67c AWR.
Het hof overweegt dat bij het opleggen van een boete, op grond van artikel 67g, lid 2 AWR en artikel 5:9 Awb de belastingplichtige in kennis moet worden gesteld van de overtreding en het overtreden voorschrift. Die strekken ertoe dat voor een belastingplichtige op dat moment duidelijk is waartegen hij zich moet verweren. De inspecteur heeft een boete opgelegd op grond van artikel 67c AWR. In de uitspraak op bezwaar is opgenomen dat dit niet juist is, maar artikel 67b AWR had moeten zijn. Volgens het hof heeft de inspecteur hiermee zijn standpunt dat sprake is van een artikel 67c AWR boete ondubbelzinnig prijsgegeven. Daarop kan de inspecteur in beroep niet terugkomen. Daarnaast is het wisselen van de boetegrondslag in strijd met artikel 67g, lid 2 AWR en artikel 5:9 Awb. Dus ook als de inspecteur dat standpunt niet ondubbelzinnig had prijsgegeven, mocht de belastingplichtige naar aanleiding van de uitspraak op bezwaar ervan uitgaan dat artikel 67c AWR haar niet meer werd verweten. De rechtbank heeft de boete terecht vernietigd.
Afrondend
Hoewel het hof in niet mis te verstane bewoordingen aangeeft dat de rechtbank juist heeft geoordeeld over de vernietiging van de boete, is dit geen aanleiding voor het toekennen van een integrale proceskostenvergoeding voor de belastingplichtige. Het hof oordeelt dat de rechtbank terecht de forfaitaire proceskostenvergoeding heeft toegekend.
———————————————
[1] Gerechtshof Den Haag 17 februari 2026, ECLI:NL:GHDHA:2026:330 (gepubliceerd op 25 maart 2026).


