Hof: voorlopige voorziening niet geschikt voor afdwingen overleggen zaakstukken door inspecteur

2 juni 2026

De belastingplichtige heeft recht op inzage in de zaakstukken. De inspecteur moet die in de bezwaarfase ter inzage geven en in de beroepsfase aan de rechter toesturen. Als een belastingplichtige stelt dat de zaakstukken niet compleet zijn, dan is het mogelijk dat een voorlopige voorziening wordt gestart. Daarover oordeelt Hof Den Bosch op 6 mei 2026 [1].

De procesrechtelijke feiten

De inspecteur heeft belastingaanslagen opgelegd, waartegen door de belastingplichtige steeds bezwaar is gemaakt. Nadat die bezwaren ongegrond zijn verklaard, is de belastingplichtige in beroep gegaan en ongegrondverklaring daarvan, in hoger beroep. Daarna heeft de belastingplichtige een verzoek ingediend voor het treffen van een voorlopige voorziening (art. 8:81 Awb en 8:108 Awb). 

Het verzoek van de belastingplichtige

Voor het treffen van een voorlopige voorziening moet worden voldaan aan i) het connexiteitsvereiste en ii) moet er een spoedeisend belang zijn. Het connexiteitsvereiste houdt in dat er een ‘bodemprocedure’ moet zijn, zoals het hoger beroep tegen de belastingaanslagen. Aan die eis is zodoende voldaan. 

De belastingplichtige wilde met de voorlopige voorziening bereiken dat de inspecteur alle op de zaak betrekking hebbende stukken (art. 8:42 Awb) moet overleggen. 

In de hoofdzaak kan de rechter beslissen over het standpunt of alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd

Oordeel van het hof

Het hof oordeelt dat de belastingplichtige het standpunt dat de inspecteur niet alle zaakstukken heeft overgelegd, ook in de hoofdzaak heeft ingenomen. De inspecteur heeft dat standpunt gemotiveerd betwist. Het is aan de rechter in de hoofdzaak om te oordelen over het standpunt van de belastingplichtige en de betwisting door de inspecteur.  De rechter in de hoofdzaak kan dan ook een gevolg eraan verbinden (als de belastingplichtige in het standpunt wordt gevolgd). Het hof overweegt dat een voorlopige voorziening niet het geschikte middel is om een dergelijke beslissing te nemen.

Ook overweegt het hof dat de belastingplichtige het spoedeisende belang niet aannemelijk heeft gemaakt. De stelling dat hij in bewijsnood verkeert, is niet aannemelijk, aldus het hof.

Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen. Terzijde wordt opgemerkt dat er in de rechtspraak wel gevallen bekend zijn waarin een voorlopige voorziening wel een geschikt middel is, maar een dergelijk verzoek slaagt niet (vaak).

———————————————

[1] Gerechtshof Den Bosch 6 mei 2026, ECLI:NL:GHSHE:2026:1165 (gepubliceerd op 26 mei 2026).

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.