Betrekken grootschaligheid van belastingfraude bij straftoemeting mag, mits hiervoor geen vrijspraak is gevolgd
2 december 2025
Al eerder oordeelde de Hoge Raad dat bij de straftoemeting in een strafzaak het ‘grootschalige karakter van de belastingfraude’ kan worden betrokken. Als de strafrechter dit bij de strafoplegging wil betrekken, moet wel aan bepaalde voorwaarden worden voldaan. In een een arrest van 25 november jl. verduidelijkt de Hoge Raad dit [1].
De feiten van de zaak
In deze zaak werd een persoon strafrechtelijk vervolgd wegens het feitelijk leidinggeven/opdracht geven aan het onjuist of onvolledig doen van belastingaangiften loonbelasting voor 4 vennootschappen. Het verwijt was dat telkens een te laag belastbaar bedrag, of een te laag bedrag of belasting in de aangiften werd opgenomen, wat ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.
Het hof komt tot een bewezenverklaring en overweegt daarbij als volgt:
“Het hof kan op grond van de inhoud van het dossier evenwel slechts bij personen die in het betreffende jaar in het geheel niet op de verzamelloonstaten zijn vermeld, vaststellen dat in de tenlastegelegde periode de opgave onjuist is.
Bij personen waarvoor te weinig loonbelasting is afgedragen, kan het hof niet vaststellen of ook specifiek in de tenlastegelegde periode te weinig belasting is geheven. Het hof constateert bovendien dat de personen die worden genoemd in het overzicht “Niet verloond personeel 2016 in het proces-verbaal Bevindingen facturen en verzamelloonstaten 2016 t/m 2018” (AMB-013), niet voorkomen op de facturen van [B] over de periode van week 37 tot en met 40 van 2016 óf daarop wel voorkomen, maar tevens zijn opgenomen in de verzamelloonstaat van [B] over 2016. Het hof zal verdachte daarom vrijspreken van het onder 2 onder het tweede gedachtestreepje tenlastegelegde nu niet kan worden vastgesteld dat ten aanzien van deze periode (week 37 t/m 40 van 2016) te weinig belasting is geheven.”.
De strafoplegging door het hof
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden. Daarbij overweegt het hof dat de verdachte met 4 uitzendbureaus uitzendkrachten heeft uitgeleend en die uitzendbureaus onjuiste en/of onvolledige aangiften loonbelasting hebben gedaan. In het onderzoek van de FIOD zijn meer belastingaangiften betrokken, dan uiteindelijk zijn opgenomen op de tenlastelegging. Het hof acht de in de bewezenverklaring genoemde aangiften voldoende representatief voor de overige in het onderzoek van de FIOD naar voren gekomen aangiften.
Volgens het hof is voldoende aannemelijk dat sprake is van grootschalige fraude. Dit kan worden aangemerkt als omstandigheid waaronder het strafbare feit is gepleegd. Het hof gaat daarom uit van het benadelingsbedrag zoals door de Belastingdienst is berekend, van circa € 484.000. “Rekening houdende met de deelvrijspraak voor feit 2″ gaat het hof uit van een benadelingsbedrag van ruim € 400.000.
Betrekken grootschaligheid belastingfraude bij straftoemeting mag, maar niet als hiervoor is vrijgesproken
Betrekken grootschaligheid belastingfraude bij straftoemeting
In cassatie oordeelt de Hoge Raad dat het de rechter vrijstaat om bij de strafoplegging rekening te houden met een niet tenlastegelegd feit. Daarvoor wordt verwezen naar een arrest uit 2010, waarin gevallen zijn genoemd waarin dit mogelijk is [2]. Dit is ook mogelijk als het gaat om een verdenking van grootschalige fiscale fraude. In zo’n zaak kan het grootschalige karakter van het strafbare feit een voor de straftoemeting relevante omstandigheid betreffen. Dat grootschalige karakter moet op de terechtzitting aannemelijk zijn geworden [3]. De Hoge Raad vervolgt: “Het staat de rechter niet vrij om in verband met de grootschaligheid van de betreffende fiscale fraude bij de strafoplegging rekening te houden met feiten die wel aan de verdachte zijn tenlastegelegd maar die niet tot een veroordeling hebben geleid”.
Oordeel van de Hoge Raad
De Hoge Raad oordeelt dat het hof heeft overwogen dat de bewezenverklaring alleen ziet op personen die ‘in het geheel niet’ op de verzamelloonstaten stonden. Dan wordt buiten de bewezenverklaring gehouden dat voor bepaalde personen (die dus dan wel op de verzamelloonstaten stonden) te weinig belasting is afgedragen. Het hof heeft overwogen dat specifiek ten aanzien van die personen te weinig belasting is geheven. Ook spreekt het hof vrij van een bepaalde periode bij feit 2 – de hiervoor genoemde deelvrijspraak.
Het oordeel van het hof dat van een benadelingsbedrag van ruim € 400.000 wordt uitgegaan is niet zonder maar begrijpelijk, zo oordeelt de Hoge Raad. Voor de redenen hiertoe wordt verwezen naar de conclusie van de A-G. Voor de berekening van dat nadeelbedrag moet immers worden aangenomen dat dit ook betrekking heeft op onderdelen die door het hof niet bewezen zijn verklaard. Ook is onvoldoende inzichtelijk gemaakt waarop het hof het benadelingsbedrag van ruim € 400.000 ‘rekening houdende met de deelvrijspraak onder feit 2’ is gebaseerd. In cassatie wordt hier terecht over geklaagd, zodat de Hoge Raad de uitspraak van het hof vernietigd voor zover het de strafoplegging betreft en de zaak terugwijst naar Hof Arnhem-Leeuwarden.
——————————
[1] Hoge Raad 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1785.
[2] Hoge Raad 26 oktober 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9968.
[3] Hoge Raad 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896.


