Ambtshalve toetsing van de redelijke termijn in boetezaken
28 januari 2025
Op grond van art. 6 EVRM dient berechting binnen een redelijke termijn plaats te vinden. Dit artikel schrijft o.a. voor dat een ieder recht heeft op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht. ‘Anders dan voorheen’ toetst de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State dat ambtshalve, zo volgt uit een uitspraak van 20 november 2024 [1].
Waar gaat de zaak over?
Het college van burgemeester en wethouders had aan betrokkene een bestuurlijke boete opgelegd van € 20.500 wegens onttrekking van een woonruimte aan de bestemming tot bewoning, zonder dat hiervoor een vergunning was verleend. Uiteindelijk bleek dat de woning voor toeristische verhuur werd aangeboden. Naar aanleiding hiervan is een onderzoek ingesteld en bleek dat er geen personen op het adres waren ingeschreven. Wel waren er recensies bij een advertentie van de woning achtergelaten. Dit is in strijd met de wet, waarvoor een bestuurlijke boete is opgelegd.
Overschrijding van de redelijke termijn
Al eerder is een blog geschreven over de overschrijding van de redelijke termijn in belastingzaken en welke gevolgen dit kan hebben, zoals vergoeding van immateriële schade en/of boetematiging. De Afdeling oordeelt in deze zaak over de overschrijding van de redelijke termijn, met daaraan een belangrijke toevoeging. Zo overweegt de Afdeling dat ‘anders dan voorheen’ in boetezaken de redelijke termijn ambtshalve wordt getoetst.
Ambtshalve toetsing van de redelijke termijn in boetezaken
De overweging van de Afdeling is dat: “Anders dan voorheen, (…) de Afdeling in boetezaken steeds [toetst] ambtshalve of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) is overschreden”.
De Afdeling verwijst daarna naar een eerdere uitspraak uit 2009 [2] en herhaalt dat de redelijke termijn is overschreden als de totale procedure te duurt. De redelijke termijn voor een procedure in 3 instanties is in beginsel niet overschreden als deze niet langer dan 4 jaar heeft geduurd. Van bijzondere omstandigheden die een kortere of langere behandelingsduur rechtvaardigen is niet gebleken. De redelijke termijn is volgens de Afdeling met 16 maanden overschreden, waarbij het aanvangsmoment is het moment waarop een handeling wordt verricht waaraan de betrokkene in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een procedure inzake een punitieve sanctie in gang wordt gezet.
Als de redelijke termijn met meer dan 1 jaar wordt overschreden, handelt de Afdeling naar bevind van zaken voor de matiging van de boete (onder verwijzing naar een uitspraak uit 2023 [3]).
Conclusie: ambtshalve toetsing van de redelijke termijn
Een mooie bijdrage aan de rechtsbescherming, nu de Afdeling ambtshalve toetst of de redelijke termijn is overschreden en daardoor mogelijk de boete moet worden gematigd. De betrokkene hoeft dus niet eerst het verweer te voeren (mag uiteraard wel), voordat de Afdeling kan beslissen tot boetematiging op grond van overschrijding van de redelijke termijn.
———————————————
[1] ABRvS 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4761.
[2] ABRvS 7 oktober 2009, ECLI:NL:RVS:2009:BJ9526.
[3] ABRvS 8 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:913.


