Op straffe van een dwangsom verplicht informatie verstrekken over verzwegen cryptovermogen

ANNOTATIE NLF 2025/0142

23 januari 2025

Begin dit jaar oordeelde Rechtbank Den Haag [1] over een geschil tussen de Belastingdienst en een belastingplichtige inzake het verstrekken van documenten. De Belastingdienst had verzocht om informatie te verstrekken en de belastingplichtige had dit niet, niet volledig dan wel niet tijdig gedaan. De inspecteur heeft dan de mogelijkheid om via de civiele rechter de belastingplichtige op straffe van een dwangsom te verplichten alsnog de informatie te verstrekken.

Informatieverplichting op straffe van een dwangsom

Op grond van art. 47 AWR is een belastingplichtige verplicht om desgevraagd informatie aan de Belastingdienst te verstrekken die voor de belastingheffing ’te zijnen aanzien’ van belang kunnen zijn. Als een belastingplichtige daar niet of niet volledig aan voldoet, kan een inspecteur dit vaststellen in een informatiebeschikking (art. 52a, lid 1 AWR). Als een informatiebeschikking onherroepelijk wordt, kan dit leiden tot omkering en verzwaring van de bewijslast. De inspecteur heeft echter nog een mogelijkheid om de gevraagde informatie te verkrijgen, namelijk via een procedure bij de civiele rechter. Het uitvaardigen van een informatiebeschikking laat immers onverlet dat de inspecteur een civiele procedure start om de belastingplichtige te laten veroordelen tot nakoming van de informatieverplichting op straffe van een dwangsom (art. 52a, lid 4 AWR).

De aanloop naar de civiele procedure

In deze zaak bij Rechtbank Den Haag ging het over verzwegen cryptovermogen. De Belastingdienst had de beschikking gekregen over informatie waaruit volgde dat de belastingplichtige de beschikking had of heeft gehad over buitenlandse bankrekeningen. In reactie hierop is door de belastingplichtige informatie verstrekt over de buitenlandse bankrekeningen. Uit die bankafschriften bleek dat een bedrag van circa € 350.000 op de bankrekening werd ontvangen van een online platform voor de aan- en verkoop van en handel in cryptovaluta. Hierdoor richtte het informatieverzoek van de Belastingdienst zich op dit onderwerp.

Zo bleek dat de belastingplichtige cryptovermogen bezit dat niet was aangegeven in de belastingaangiften. Vervolgens werd er lang heen en weer gecorrespondeerd over de omvang van dit cryptovermogen. 

De Belastingdienst heeft een informatiebeschikking uitgevaardigd, waartegen de belastingplichtige bezwaar heeft gemaakt. Dat bezwaar is afgewezen, waarna geen beroep hiertegen door de belastingplichtige is ingesteld. Later heeft de Belastingdienst over andere jaren een informatiebeschikking genomen, die eveneens onherroepelijk vast is komen te staan.

Volgens de Belastingdienst heeft de belastingplichtige verzuimd om de volledige informatie te verstrekken, waarna een civiele procedure is gestart.

De vordering in de civiele procedure

De Belastingdienst verzoekt in de civiele procedure o.a. om een volledige en onvoorwaardelijke informatieverstrekking over het verloop en de omvang van het cryptovermogen, een schriftelijke en gemotiveerde beantwoording van de vragen, bewijsmiddelen ter staving hiervan en een mondelinge toelichting, binnen 2 weken, op straffe van een dwangsom van € 2.500 per dag, tot een maximum van € 1,5 miljoen. Hieraan wordt de restrictie verbonden dat wilsafhankelijk materiaal slechts zal worden gebruikt ten behoeve van de belastingheffing.

Oordeel van de civiele rechter

De civiele rechter overweegt dat de vordering van de Belastingdienst grotendeels toewijsbaar is. De belastingplichtige heeft ‘bij lange na nog niet alle voor de Belastingdienst relevante informatie verstrekt’. Daarbij wordt overwogen dat de belastingplichtige een patroon heeft van onvolledige informatie te verstrekken, maar wel te doen alsof het volledig is. De onduidelijkheid over de volledigheid van de gevraagde informatie is blijven bestaan. Daardoor kan een controle van de belastingaangifte niet plaatsvinden.

De rechter oordeelt (kort samengevat) dat de belastingplichtige op straffe van een dwangsom informatie moet verstrekken aan de Belastingdienst, binnen een door de inspecteur nader te bepalen redelijke termijn. Hierbij moeten bewijsmiddelen worden verstrekt en een mondelinge toelichting worden gegeven op de door de Belastingdienst gehandhaafde vragen. Een ander vragen waren namelijk komen te vervallen, omdat die in de loop van de procedures zijn beantwoord.

(On)terecht oordeel?

De vraag kan worden gesteld of het oordeel van de rechtbank, waarbij om bewijsstukken maar ook mondelinge verklaringen wordt gevraagd, in lijn is met de rechtspraak van de Hoge Raad. De belastingplichtige heeft namelijk gesteld een slechte gezondheid te hebben. Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad kunnen belemmeren van fysieke/psychische aard onder omstandigheden ertoe aanleiding geven dat het niet kunnen afleggen van een mondelinge of schriftelijke verklaringen zonder ‘sanctie’ moet blijven [2]. Die rechtspraak ziet op de omkering en verzwaring van de bewijslast, maar zou kunnen worden doorgetrokken naar een civiele dwangsom.

Voor NLFiscaal schreef ik over deze uitspraak een annotatie.

Meer weten?

De annotatie te vinden via NLFiscaal 2025/0142. 

———————————————

[1] Rb. Den Haag 3 januari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22.

[2] Hoge Raad 13 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3273.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.