Ondanks strafrechtelijke vrijspraak zijn kosten in belastingprocedure niet aannemelijk gemaakt

9 juni 2026

De strafrechter en belastingrechter hebben elk een eigen toetsingskader. Zo kan het voorkomen dat een belastingrechter wel oordeelt dat een belastingaangifte onjuist is, terwijl de strafrechter oordeelt van niet. Dit was aan de hand in een zaak bij Rechtbank Den Haag [1].

De feiten

In deze zaak heeft een strafrechtelijk onderzoek plaatsgevonden naar witwassen van crimineel vermogen door diverse partijen. Daarbij zijn overboekingen van diverse bedrijven onderzocht. Dit betrof onder andere overboekingen van een bedrijf voor € 1,4 miljoen, waarvoor de verdenking bestond van witwassen en het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie (doordat geen leveringen aan die betalingen ten grondslag zouden hebben gelegen).

De strafrechter sprak het bedrijf in juli 2023 vrij (het hoger beroep loopt nog). In augustus 2023 kondigde de inspecteur aan een navorderingsaanslag vennootschapsbelasting op te leggen. De gefingeerde kosten zouden worden gecorrigeerd. Ook wordt een vergrijpboete van 50% opgelegd.

Correctie van de kosten

De rechtbank overweegt dat de bewijslast voor de inkoopkosten op het bedrijf rust. Daarin is de belastingplichtige, tegenover hetgeen de inspecteur heeft aangevoerd, niet geslaagd. De kosten zijn niet gestaafd met achterliggende stukken. Het gaat om grote bedragen en dan mag volgens de rechtbank worden verwacht dat dit wordt onderbouwd met nadere objectieve en verifieerbare gegevens. Nu die gegevens ontbreken, mogen de inkoopkosten niet in aftrek worden gebracht en is de navorderingsaanslag terecht opgelegd.

In de hoofdzaak kan de rechter beslissen over het standpunt of alle op de zaak betrekking hebbende stukken zijn overgelegd

Correctie van de kosten en vrijspraak in de strafzaak: onschuldpresumptie?

Dat in de strafzaak een vrijspraak is gevolgd, doet volgens de rechtbank aan het oordeel niet af. De belastingrechter moet zelfstandig een oordeel vormen over de vaststaande feiten. Hij is niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter. 

“Een strafrechtelijke vrijspraak hoeft niet eraan in de weg te staan dat in een latere gerechtelijke procedure de gedragingen waarvan eiseres is vrijgesproken, als gevolg van minder strenge bewijsregels of op grond van aanvullend bewijs bewezen worden verklaard, mits de rechterlijke autoriteiten door hun optreden, de motivering van hun beslissing of de door hen gebruikte bewoordingen geen twijfel doen ontstaan over de juistheid van een vrijspraak van hetgeen de verdachte in de strafzaak werd verweten.”

De rechtbank concludeert dat op basis van het verschil in bewijsregels, ondanks de uitkomst in de strafzaak, in de belastingzaak kan worden nagevorderd.

Oordeel over boete

De rechtbank oordeelt dat de aanwezigheid van een beboetbaar feit alleen kan worden aangenomen als de feiten en omstandigheden buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan. De inspecteur heeft de boete volledig gebaseerd op de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek. Er is geen aanvullend onderzoek verricht. Daarmee is de inspecteur volgens de rechtbank niet in zijn bewijslast geslaagd. Daarbij weegt de rechtbank mee dat er een vrijspraak is gevolgd in de strafzaak (vrijspraak gebruikmaking valse facturen en de inspecteur stelt dat gebruik is gemaakt van valse facturen). Door toch uit te gaan van valse facturen, wordt in strijd gehandeld met de onschuldpresumptie.

———————————————

[1] Rechtbank Den Haag 24 april 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:9897.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.