Vrijspraak voor btw-fraude in de autohandel
ANNOTATIE NLF 2024/2124
4 oktober 2024
Op 6 september 2024 deed de rechtbank Amsterdam uitspraak in een zaak die ging over vermeende btw-fraude en valsheid in geschrifte [1]. In tegenstelling tot wat de officier van justitie had geëist, leidde deze zaak niet tot een veroordeling, maar tot een vrijspraak. Deze uitspraak biedt belangrijke inzichten voor ondernemers die in hun branche mogelijk betrokken kunnen raken bij btw-fraude. Bij die uitspraak van Rechtbank Amsterdam schreef ik voor NLFiscaal een annotatie.
De verdenking van btw-fraude
De verdachte werd beschuldigd van het opzettelijk onjuist doen van btw-aangiften en het valselijk opmaken van facturen en de bedrijfsadministratie. Het gaat om een omvangrijk onderzoek, genaamd Trailers, dat in meerdere deelonderzoeken uit elkaar valt. Het onderzoek richt zich op btw-fraude, waarbij verkochte auto’s zouden zijn gefactureerd aan katvangersbedrijven, terwijl de verdachte zou weten dat de auto’s aan de contactpersonen van die bedrijven zouden worden verkocht. Omdat er een verdenking is van btw-fraude, mag het nultarief voor intracommunautaire leveringen niet worden toegepast. Door te werken met katvangersbedrijven zouden de facturen en de bedrijfsadministratie vals zijn.
Vrijspraak voor btw-fraude
Ondanks de verdenkingen, oordeelde de rechtbank dat onvoldoende is komen vast te staan dat sprake is van een katvangersconstructie, waaraan de verdachte actief heeft bijgedragen. Er zijn wel signalen van btw-fraude, maar niet is gebleken dat de verdachte zelf btw-fraude heeft gepleegd. Ook is niet gebleken dat de fraude wist van fraude elders in de keten.
Toetsingskader btw-fraude
Het nultarief mag worden geweigerd als iemand is betrokken bij btw-fraude. Als een belastingplichtige niet zelf btw-fraude pleegt, dan mag het nultarief alleen worden geweigerd als op basis van objectieve gegevens vaststaat dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij deelnam aan een keten waarin btw-fraude wordt gepleegd [2].
Als fraude elders in de keten wordt gepleegd, dan is van belang dat wordt nagegaan of de belastingplichtige wist of had moeten weten dat hij deelnam aan btw-fraude in de keten. Dan moet worden vastgesteld i) hoe de keten van leveringen was ingericht en welke plaats de belastingplichtige in die keten innam, ii) in welke schakel(s) btw-fraude werd gepleegd en wat die btw-fraude inhield, en iii) dat en op welke gronden geoordeeld moet worden dat de belastingplichtige wist of had moeten weten dat de btw-fraude in de keten plaatsvond [3].
Lessen uit deze uitspraak
De rechtbank heeft een aantal interessante overwegingen voor ondernemers die in een bepaalde branche werkzaam zijn en mogelijk te maken zouden kunnen krijgen met btw-fraude in de keten. Zo overweegt de rechtbank:
- De belastingplichtige heeft gelden contant ontvangen, maar met alle afnemers was er een (soms zelfs volledige) bancaire relatie. Eventuele ongebruikelijke transacties zijn bij de FIU gemeld. Contante betalingen in een bepaalde branche zijn niet zonder meer belastend.
- Er zijn interne protocollen t.b.v. intracommunautaire leveringen, die ook zijn aangescherpt naar aanleiding van contact met de Belastingdienst. Er werd ook binnen het bedrijf gecommuniceerd over risico’s om bij btw-fraude betrokken te raken. Hieruit volgt dat er actief actie wordt ondernomen om te voorkomen dat het bedrijf bij btw-fraude betrokken zou raken.
- Het op eigen initiatief beëindigen van klantrelaties als er signalen waren dat die afnemer mogelijk fraude pleegde.
- Het interne beleid was om afscheid te nemen van klanten als vanuit de Belastingdienst een verzoek kwam om SCAC-informatie te verstrekken. Dit beleid werd ook nageleefd.
- Het verrichten van klantonderzoek naar nieuwe handelsrelaties. Voor nieuwe relaties werd een ‘Know Your Customer’ (KYC)-procedure gevolgd. Bij onduidelijkheden werden nadere vragen gesteld. Ondanks dat de uitkomsten hiervan niet in de administratie zijn vastgelegd, kan niet worden vastgesteld noch worden uitgesloten dat zo’n procedure werd gevolgd.
De rechtbank oordeelt dat onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte actief of passief btw-fraude heeft gepleegd. De verdachte heeft niet zelf btw-fraude gepleegd en wist ook niet van btw-fraude in de keten.
Tot slot
De verdachte in deze zaak is vrijgesproken, maar er zijn veroordelingen gevolgd in andere deelonderzoeken van het onderzoek Trailers. Een gewaarschuwd ondernemer telt voor twee. Uit deze uitspraak kunnen in ieder geval lessen worden getrokken voor de praktijk, om de bedrijfsvoering zo aan te passen dat wordt voorkomen dat het bedrijf bij btw-fraude elders in de keten betrokken zou kunnen raken.
Voor NLFiscaal schreef ik over de uitspraak van Rechtbank Amsterdam van 6 september 2024.
Meer weten?
De annotatie te vinden via NLFiscaal 2024/2124.
———————————————
[1] Rb. Amsterdam 6 september 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:5554.
[2] Hoge Raad 26 maart 2021, ECLI:NL:HR:2021:456.
[3] Hoge Raad 19 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:51.


