Veroordeling belastingadviseur DJ-duo, deels niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de strafvervolging

11 februari 2025

Op 22 januari jl. [1] oordeelde de Rechtbank Rotterdam in een strafzaak van een belastingadviseur van een DJ-duo. De adviseur werd verweten een vals geschrift opgesteld en gebruikt te hebben en onjuiste aangiften te hebben ingediend met betrekking tot de fiscale woonplaats van het DJ-duo. De belastingadviseur wordt vrijgesproken voor de valsheid in geschrifte, maar veroordeeld voor het indienen van onjuiste aangiften. In de zaak zijn een aantal verweren gevoerd door de verdediging, waaronder een verweer waardoor niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de strafvervolging volgde.

Schending gelijkheidsbeginsel?

De verdediging heeft het verweer gevoerd dat het gelijkheidsbeginsel is geschonden. De zaken van de medeverdachten (o.a. het DJ-duo) zijn geseponeerd, zoals ook volgt uit een bericht op de website van het Openbaar Ministerie [2], terwijl het feitencomplex waar de verdachte van verdacht werd exact hetzelfde is. Daarom zou het OM niet-ontvankelijk in de vervolging moeten worden verklaard.

De rechtbank gaat hier niet in mee, omdat het Openbaar Ministerie een grote beleidsvrijheid heeft om al dan niet tot vervolging over te gaan. Dit kan slechts in zeer beperkte mate inhoudelijk door de rechter worden getoetst. Het Openbaar Ministerie stelde dat de rol van de medeverdachten als belastingplichtigen/cliënt anders is dan de rol van de verdachte als belastingadviseur. De rechtbank gaat daarin mee en stelt dat geen sprake is van gelijke gevallen. Er is geen sprake van strijd met het gelijkheidsbeginsel.

Deels niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie: vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69, lid 4 AWR

Op grond van art. 69, lid 4 AWR kan iemand die kan worden vervolgd op grond van art. 69 AWR (onjuiste belastingaangifte) en op grond van art. 225, lid 2 Sr (het gebruikmaken van een vals geschrift), niet worden vervolgd voor art. 225, lid 2 Sr. Dit wordt de vervolgingsuitsluitingsgrond genoemd.

In deze zaak was de tenlastelegging toegesneden op art. 225, lid 1 Sr (opmaken van valse belastingaangiften) en art. 225, lid 2 Sr (het gebruikmaken van valse belastingaangiften) en op art. 69, lid 2 AWR (het doen van onjuiste belastingaangiften). Op grond hiervan concludeert de rechtbank dat de vervolgingsuitsluitingsgrond van toepassing is en het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging ten aanzien van art. 225, lid 2 Sr.

Pleitbaar standpunt

Is sprake van een pleitbaar standpunt?

De verdediging bepleit dat sprake is van een pleitbaar standpunt bij het indienen van de belastingaangiften, gelet op de brief van een fiscaal advocatenkantoor uit 2019. De rechtbank gaat hier niet in mee.

Nog los van de vraag of dit standpunt inhoudelijk verdedigbaar was, geldt het volgende. Deze brief werd pas ingediend bij de aangifte van 2017 op 29 augustus 2019 en kan daardoor niet zien op een mogelijk ingenomen pleitbaar standpunt bij het doen van de aangiften over de jaren 2015 en 2016, maar slechts bij het doen van de aangiften over het jaar 2017. De inhoud van de brief ziet echter alleen op de jaren 2015 en 2016 en niet op de situatie in 2017, zodat ook ten aanzien van dat fiscaal jaar niet is gebleken dat de verdachte redelijkerwijs kon en mocht menen dat de door hem gedane aangiften juist waren. Gelet op het voorgaande is er geen sprake van een pleitbaar standpunt dat in de weg staat aan het aannemen van voorwaardelijk opzet bij het doen van de aangiften over de jaren 2015 tot en met 2017”.

Wanneer moet het pleitbare standpunt de belastingplichtige voor ogen hebben gestaan?

Een opvallende overweging is dat de brief van het fiscaal advocatenkantoor dateert uit 2019 en dit niet invloed kan zijn geweest voor de aangifte 2017. De inhoud van de brief kan de belastingplichtige immers niet eerder ten tijde van het doen van aangifte voor ogen hebben gestaan. Hier wordt een discrepantie zichtbaar tussen de objectieve invulling van het pleitbare standpunt en de meer subjectieve invulling. De Belastingkamer van de Hoge Raad oordeelde immers: “Omdat de pleitbaarheid van dat standpunt naar objectieve maatstaven moet worden beoordeeld, en mede gelet op hetgeen hiervoor in 3.4.4 is vooropgesteld, is in dit verband niet van belang of de belastingplichtige bij het doen van de aangifte de pleitbare maar later onjuist bevonden uitleg voor ogen heeft gestaan[3]. In andere woorden: het gaat er niet om of dit standpunt de belastingplichtige ten tijde van het doen van aangifte voor ogen heeft gestaan, maar kan hebben gestaan. Dat pleitbare standpunt kan dus ook later ontstaan. In het strafrecht toetst de rechter subjectiever en wordt wel beoordeeld of het pleitbaar standpunt de verdachte ten tijde van het doen van aangifte voor ogen heeft gestaan [4]. Zoals ook voortvloeit uit deze uitspraak.

Medeplegen

Art. 69 AWR is een kwaliteitsdelict [5]. Alleen degene die over de vereiste kwaliteit bezit, dus de aangifteplichtige, kan voor het doen van een onjuiste aangifte strafrechtelijk worden vervolgd. Hoewel een belastingadviseur dus niet als pleger kan worden vervolgd, kan dat wel in de hoedanigheid van medepleger, of wegens art. 225, lid 2 Sr – zoals de Hoge Raad als opmerking ten overvloede meegeeft in het arrest.

In dit geval is de belastingadviseur als medepleger vervolgd. De verdediging voert verweer op het ‘medeplegen’, omdat de strafzaak tegen de belastingplichtigen is geseponeerd en er zodoende dus geen ‘plegers’ meer zijn. De rechtbank gaat daar niet in mee, omdat de belastingplichtigen wel als medeverdachten zijn vervolgd maar hun zaak is geseponeerd (met sepotcode bestuursrechtelijk ingrijpen). De belastingplichtigen hebben de onjuistheid in de aangiften onderkend en toegegeven, zodat de rechtbank een nauwe en bewuste samenwerking aanneemt.

Strafmaat

De rechtbank komt tot een veroordeling wegens het medeplegen aan het doen van een onjuiste belastingaangifte. In de straftoemeting weegt de rechtbank mee dat van de verdachte als adviseur vanwege zijn achtergrond en deskundigheid mocht worden verwacht dat hij zich niet aan een dergelijk feit (lees: fraude) zou schuldig maken. De verdachte is niet eerder voor soortgelijke feiten veroordeeld. Het gaat hierbij om een heel oud feit (van jaren geleden), wat moet worden gecompenseerd in de op te leggen straf. Ook weegt de rechtbank mee dat de verdachte niet persoonlijk heeft geprofiteerd van de gepleegde fraude. Een beroepsverbod acht de rechtbank niet passend. Er wordt een voorwaardelijke taakstraf opgelegd.

Tot slot

In deze zaak spelen veel formeel-juridische punten, zoals de verweren ten aanzien van de beginselen van een behoorlijke procesorde (gelijkheidsbeginsel), de vervolgingsuitsluitingsgrond van art. 69, lid 4 AWR, medeplegen en een pleitbaar standpunt. Uiteindelijk wordt een geheel voorwaardelijke straf opgelegd, mede vanwege de vrijspraak voor de valsheid in geschrifte en omdat er deels niet-ontvankelijkheid Openbaar Ministerie in de strafvervolging volgt.

—————————————————-

[1] Rb. Rotterdam 22 januari 2025, ECLI:NL:RBROT:2025:1036.

[2] ‘DJ duo erkent onjuiste belastingaangiften’, OM.nl 23 oktober 2023.

[3] Hoge Raad 21 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:638, r.o. 3.4.5.

[4] Bijv. M.M. Kors, ‘Pleitbaar standpunt in het fiscale boete- en strafrecht (FM nr. 148)’, Deventer: Kluwer 2016, par. 4.4.2.1.

[5] Hoge Raad 28 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:121.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.