Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering wegens vernietiging administratie veroordeelde
3 februari 2026
Rechtbank Den Haag oordeelde over de ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in een procedure over de ontnemingsvordering. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de bedrijfsadministratie was vernietigd [1].
Het standpunt van de verdediging
In deze zaak was de bedrijfsadministratie van de veroordeelde en medeveroordeelde (de BV) vernietigd. De verdediging stelde dat het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk moest worden verklaard in de ontnemingsvordering. Niet alle inkomsten zouden wederrechtelijk zijn verkregen en doordat de administratie grotendeels is vernietigd, kan de verdediging niet meer met behulp daarvan aantonen welke inkomsten legaal zijn verkregen. Deze vernietiging heeft plaatsgevonden in strijd met artikel IV.2 van de Aanwijzing inbeslagneming. Dat leidt tot een fundamentele schending van de verdedigingsrechten, waar geen enkele remedie (zoals bewijsuitsluiting of verlaging van het ontnemingsbedrag) ertoe zou kunnen leiden dat nog sprake zou kunnen zijn van een eerlijk proces in de zin van artikel 6 EVRM. De enige passende consequentie is de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie.
De vernietiging van de administratie is het OM aan te rekenen en de rechterlijke reactie kan niets anders dan niet-ontvankelijkheid zijn
Het standpunt van het Openbaar Ministerie
Het Openbaar Ministerie stelt wel ontvankelijk te zijn in de ontnemingsvordering. De politie was namelijk opdracht gegeven om de administratie terug te geven, maar de originele administratie is toch vernietigd. Op een eerder moment is wel een kopie van de volledige administratie verstrekt en de ontnemingsvordering is voor een groot deel gebaseerd op de elektronische administratie. Dat betekent dat de verdediging wel in de mogelijkheid is om verweer te voeren op de ontnemingsvordering.
De overwegingen van de rechtbank
De rechtbank overweegt dat de vernietiging van de administratie in strijd is met artikel 116, lid 1, tweede volzin Sv en de Aanwijzing inbeslagneming (nu: Instructie inbeslagneming). Dit is een onherstelbaar vormverzuim. De vraag is welke sanctie hierop moet volgen.
Het Openbaar Ministerie heeft zich voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel gebaseerd op de elektronische administratie, die weer is gebaseerd op de papieren administratie. Uit de strafzaak bleek dat een deel van de opbrengst een criminele herkomst had, maar dat ook werd verkocht aan klanten die zich niet met hennepteelt bezighielden. Door het ontbreken van de originele administratie kan zowel de verdediging als de rechtbank niet meer nagaan om welk deel dat gaat. Daardoor is ook de door het Openbaar Ministerie gemaakte berekening niet te verifiëren.
Het verstrekken van kopieën van de administratie is een onvoldoende herstel van het verzuim. Doordat de originele administratie ontbreekt, is immers niet meer na te gaan of de administratie compleet is. Volgens de verdediging is dat immers niet het geval en/of zijn de kopieën volgens de verdediging onleesbaar. Hiervan heeft de verdediging ter zitting een voorbeeld getoond.
Op de suggestie van het Openbaar Ministerie dat bij de boekhouder de administratie wordt opgevraagd, gaat de rechtbank niet in. Er is een groot tijdsverloop geweest en het is onduidelijk of de boekhouder nog over de ingescande administratie beschikt (zeker op de wettelijke bewaartermijn van 7 jaar). Daarom zal de rechtbank het Openbaar Ministerie geen gelegenheid bieden om hier nog onderzoek naar te doen.
Het oordeel van de rechtbank
Gelet op het voorgaande oordeelt de rechtbank dat met grove veronachtzaming van de belangen van de veroordeelde is gehandeld, waardoor de verdediging niet meer deugdelijk verweer kan voeren. Dat is het gevolg van het vernietigen van de originele fysieke administratie en dat is het Openbaar Ministerie aan te rekenen. Het recht op een eerlijk proces (art. 6 EVRM) is geschonden. De rechterlijke reactie kan slechts niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de ontnemingsvordering zijn.
———————————————
[1] Rechtbank Den Haag 12 december 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:25059 (gepubliceerd op 6 januari 2026).


