Gevangenisstraf voor boekhouder wegens valsheid in geschrifte en witwassen

24 februari 2026

Rechtbank Den Haag veroordeelt een boekhouder tot een gevangenisstraf wegens witwassen en valsheid in geschrifte [1]. Relevant hierbij is de strafmaat, aangezien de boekhouder een blanco strafblad had.

De verdenking en de feiten in de zaak

Een boekhouder werd strafrechtelijk vervolgd voor het witwassen van een geldbedrag van circa € 10.000 (feit 1) en het valselijk opmaken of vervalsen van een factuur, waarop valselijk en in strijd met de waarheid zou staan dat door een bedrijf voor € 20.000 aan parfums zou zijn verkocht (feit 2). 

In de uitspraak zijn citaten van whatsapp-berichten opgenomen, waarin de verdachte contact heeft met de medeverdachte en hij met zijn moeder gebeld heeft, waarvan het tapgesprek is uitgewerkt. In de whatsapp-gesprekken wordt door medeverdachte ook aangegeven hoe de verdachte een factuur moet opmaken. De bank had de transactie namelijk tegengehouden en wilde als onderliggende documentatie bijv. een factuur ontvangen. De medeverdachte vraagt aan verdachte om een factuur hiervoor op te maken, waarna de verdachte dit ook daadwerkelijk heeft gedaan.

Bij de doorzoeking is een contant geldbedrag van € 10.050 aangetroffen in de woning van de ouders van verdachte (waar hij woonachtig was). De moeder van de verdachte heeft aangegeven dat hiervan € 2.000 van haar was, omdat ze dat had gepind voor de vakantie. Voor het overige weet zij van niets. 

Door valse facturen worden witwasconstructies in stand gehouden. Dat rekent de rechtbank de verdachte aan.

De verdenking van het witwassen van circa 10.000

De rechtbank overweegt dat de verdachte heeft geparticipeerd in whatsapp-gesprekken met de medeverdachte, waarin het gaat over ‘het verdienen van grote geldbedragen’ en dat ‘wel goed moet worden opgepast en men slim moet zijn’. Verdachte zou ‘geld pakken op afstand, door facturen op te maken’. Vervolgens wordt een contant geldbedrag aangetroffen van € 10.050. Dit rechtvaardigt volgens de rechtbank een vermoeden van witwassen. Daarom mag van de verdachte een concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring worden verwacht over de herkomst van de contante gelden.

De moeder van de verdachte had verklaard dat € 2.000 van haar is. De verdachte heeft verklaard dat het overige bedrag van hem is, dat hij in delen van de rekening heeft gepind, waarvoor ook bankafschriften zijn overgelegd. Daarbij is aangegeven dat het in de cultuur gebruikelijk is om geld niet op de rekening te sparen.

De rechtbank volgt de verklaring van de moeder, zodat voor dat deel van het geldbedrag witwassen niet kan worden bewezen. Uit de bankafschriften volgt dat niet alleen geld wordt gepind, maar ook wordt gestort. Dat strookt niet met de verklaring van de verdachte. De verklaring biedt volgens de rechtbank al net mal onvoldoende tegenwicht tegen de verdenking van witwassen. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring.

De verdenking van valsheid in geschrifte

De verdediging stelt dat het opzet bij verdachte ontbrak bij de valsheid in geschrifte. De rechtbank schuift dit terzijde, nu volstrekt onaannemelijk is dat de verdachte – die werkzaam is als boekhouder – niet zou hebben geweten dat het opmaken van een factuur ná de betaling, uit hoofde van een andere onderneming, geen vervalsing oplevert. Hierbij is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, zodat de rechtbank tot een bewezenverklaring komt van het medeplegen van valsheid in geschrifte.

De strafmaat

De rechtbank heeft bij de strafmaat rekening gehouden met het strafblad van de verdachte, waaruit volgt dat hij niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld. Dit weegt de rechtbank niet in het voordeel en niet in het nadeel van de verdachte mee. Dit ondanks dat de verdediging erop had gewezen dat de verdachte niet eerder met politie of justitie in aanraking was gekomen en zijn leven heeft gebeterd. 

Er is kennisgenomen van het reclasseringsadvies en er wordt door de rechtbank gekeken naar de LOVS. Bij een benadelingsbedrag van € 30.000 wordt uitgegaan van een gevangenisstraf van 3 maanden of een onvoorwaardelijke taakstraf. 

Tot slot betrekt de rechtbank de redelijke termijn in de overweging. Die is overschreden met 2 jaar en 7 maanden. Dit wordt tot uitdrukking gebracht in de op te leggen straf, ten voordele van de verdachte. 

Gelet op alles is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere straf dan een gevangenisstraf, voor de duur van 65 dagen met aftrek van voorarrest. Het bedrag van € 8.050 wordt verbeurd verklaard. 

———————————————

[1] Rechtbank Den Haag 28 januari 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:1399 (gepubliceerd op 4 februari 2026).

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.