Geen overschrijding redelijke termijn, toch strafmatiging

13 mei 2025

Onder andere op grond van art. 6 EVRM heeft een verdachte recht op berechting binnen een redelijke termijn. Dit recht is ook neergelegd in het IVBPR en art. 17 Grondwet. In de rechtspraak is bepaald dat bij een overschrijding van de redelijke termijn, een matiging van de straf kan plaatsvinden. Gerechtshof Den Haag kwam echter toch tot een matiging van de straf, ondanks dat de redelijke termijn formeel niet was overschreden [1]

De uitgangspunten van de redelijke termijn

In de rechtspraak zijn de kaders voor de redelijke termijn neergelegd. In beginsel geldt een redelijke termijn van 2 jaar per fase (rechtbank, gerechtshof). Een versnelling in de ene fase kan een vertraging in een andere fase compenseren. Zie hierover nader het eerder geschreven blog ‘de redelijke termijn in strafzaken‘.

De straf en strafeis in deze zaak

Het ging in deze zaak om phishing en daarmee samenhangende strafbare feiten. Bij de rechtbank was de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 360 dagen, waarvan 313 dagen voorwaardelijk (met een proeftijd van 2 jaar en een meldplicht bij de Reclassering), een taakstraf van 360 uur [1].

De Advocaat-Generaal vorderde in hoger beroep een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 6 voorwaardelijk (met aftrek van voorarrest) en een proeftijd van 2 jaar met oplegging van de bijzondere voorwaarde van een meldplicht. 

Het hof legt uiteindelijk een gevangenisstraf op van 360 dagen, waarvan 313 dagen voorwaardelijk (met een proeftijd van 1 jaar – dit in tegenstelling tot de 2 jaar die de rechtbank had opgelegd) en een taakstraf van 300 uur.

Motivering strafoplegging

Het arrest van het hof betreft voor het grootste gedeelte de strafmotivering. Het hof sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en vernietigt de uitspraak ‘alleen’ voor de strafoplegging. 

Voor het hof is van belang dat het nadeelbedrag € 50.000 is, dat is nog steeds een fors bedrag is, maar wel substantieel lager is dan het bedrag waar de Advocaat-Generaal bij de strafeis vanuit is gegaan.

De ernst van het strafbare feit en dat het gaat om een substantieel aantal slachtoffers rechtvaardigt voor het hof dat in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd.

Daarnaast zijn de omstandigheden van belang waaronder het strafbare feit is begaan. De rol van de verdachte is beduidend kleiner dan de andere verdachten. Uit de chat-berichten bleek dat hij een meer terughoudende rol aannam en de mededaders vooral de boventoon voerde. Dit heeft een matigende werking op de op te leggen straf. Dit laat onverlet dat de verdachte als medepleger en als deelnemer aan het criminele circuit medeverantwoordelijk is voor de gepleegde strafbare feiten. 

De lange duur van de procedure heeft een grote impact gehad op het leven van de verdachte

 

Het hof slaat ook acht op het strafblad en daaruit volgt dat de verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit. De persoonlijke omstandigheden spelen ook een rol. De verdachte was 21-22 jaar oud ten tijde van het plegen van de feiten en heeft 47 dagen in voorlopige hechtenis doorgebracht. Na het schorsen van de voorlopige hechtenis heeft hij zijn opleiding afgerond, een fulltime baan gevonden, een nieuwe relatie gekregen, gaan samenwonen en vader geworden.

Gelet op deze en andere feiten en omstandigheden acht het hof het strafdoel van generale preventie niet doorslaggevend om hier toch een grotendeels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen.

Aan het voorwaardelijke strafdeel zal het hof – zoals bepleit door de verdediging – in verband met het tijdsverloop sinds de feiten, maar in het bijzonder ook als blijk van vertrouwen in de verdachte, een proeftijd van één jaar verbinden. Het hof zal geen meldplicht opleggen als bijzondere voorwaarde. Het hof ziet geen reden om daarin af te wijken van het (meest recente) advies van de reclassering

Net geen overschrijding redelijke termijn, toch strafmatiging

Het hof vervolgt.

Om recht te doen aan de feiten en de strafdoelen vergelding en normstelling wordt daarnaast een taakstraf van 300 uur in plaats van 360 uur opgelegd. “Deze vermindering van het aantal uren werkstraf houdt verband met de lange duur van de behandeling in hoger beroep. Die heeft weliswaar formeel (net) niet geleid tot een overschrijding van de redelijke termijn, maar gelet op het verhandelde ter terechtzitting acht het hof aannemelijk dat de lange duur van de procedure in hoger beroep wel een grote impact heeft gehad op het leven van de verdachte. Daarbij heeft het hof mede in ogenschouw genomen dat het hier een door het openbaar ministerie ingesteld strafmaatappel betreft, terwijl in hoger beroep (door de verdediging) geen onderzoek is verzocht of heeft plaatsgevonden dat het tijdsverloop in enige mate kan verklaren”.

Zodoende komt het hof tot het oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke taakstraf en een grotendeels voorwaardelijke gevangenisstraf een geboden reactie vormen.

Tot slot

Op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad is in beginsel een redelijke termijn van 2 jaar redelijk. Die termijn kan per zaak verschillen, afhankelijk van diverse factoren zoals de complexiteit van een zaak. In dit geval was de redelijke termijn net niet overschreden, maar heeft het hof toch aanleiding gezien om de strafmaat te matigen gelet op de doelstelling achter het recht op berechting binnen een redelijke termijn.

—————————————————-

[1] Hof Den Haag 8 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:664.

[2] Rb. Den Haag 3 april 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:4676.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.