Een beroep op de adviseurs-jurisprudentie: heeft de belastingplichtige tijdig de stukken verstrekt aan de adviseur?

10 februari 2026

Op 19 december 2025 oordeelde de Hoge Raad over de zogenoemde ‘adviseursjurisprudentie’. Een belastingplichtige kan zich kort gezegd erop beroepen dat hij een ter zake deskundig adviseur heeft ingeschakeld en hem dus geen opzet kan worden verweten, als verweer tegen een boete. In dit arrest herhaalt de Hoge Raad de vaste rechtspraak [1].

De feiten in de zaak

De belastingplichtige in deze zaak was een fiscale eenheid voor de omzetbelasting. De OB-aangiften werden opgesteld door een ter zake kundig adviseur, op basis van de door de belastingplichtige aangereikte stukken. Vervolgens zorgde de bestuurder van de vennootschappen voor betaling van het bedrag. Door de jaren heen was er een te betalen bedrag (2013), waren er nihilaangiften ingediend (diverse maanden in 2014) en verzoeken om teruggave van btw gedaan (3 maanden in 2014).

Door informatie-uitwisseling is de Belastingdienst ervan op de hoogte gekomen dat Duitse ondernemers intracommunautair goederen hebben geleverd aan de belastingplichtige, terwijl de belastingplichtige nihilaangiften had gedaan. Dit resulteerde in een boekenonderzoek, met uiteindelijk een opgelegde naheffingsaanslag van circa  26.000 en een boete op grond van artikel 67f AWR.

Na overleg en een nieuwe opstelling over 2014, heeft de inspecteur de naheffingsaanslag verminderd naar circa € 15.000 en de boete verminderd tot circa € 7.600. Bij de rechtbank was de boete uitsluitend nog in geschil en is de boete gematigd met 20% wegens overschrijding van de redelijke termijn.

De adviseursjurisprudentie

Het uitgangspunt is dat als een belastingplichtige zich laat bijstaan door een adviseur die hij voor voldoende deskundig mocht houden en aan wiens zorgvuldige taakvervulling hij niet hoefde te twijfelen, er geen aanleiding is voor het stellen van de algemene eis dat de belastingplichtige zich ter voorkoming van fouten ook zelf in de inhoudelijke aspecten van op hem toepasselijke belastingregelingen verdiept . Dit wordt niet anders door het enkele feit dat hij – al dan niet op grote schaal – gebruik maakt van de desbetreffende regeling [2].

Daarbij geldt dat als een belastingplichtige zich wél zelf heeft verdiept in de op hem toepasselijke belastingregelingen, dan brengt dat enkele feit nog niet mee dat hij gehouden is om te controleren of zijn deskundige adviseur in de door deze opgemaakte aangiften die regelingen juist heeft toegepast [3].

Als een belastingplichtige niet alle stukken (tijdig) verstrekt aan de adviseur voor het opstellen van een juiste aangifte, dan kan worden gesteld dat hij niet de vereiste zorg heeft betracht

Wat kan van een belastingplichtige worden gevergd?

Als de belastingplichtige de nodige zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kan worden gevergd, dan kan hij vertrouwen op de ter zake kundige adviseur. 

Wat in dit opzicht redelijkerwijs van de belastingplichtige kan worden gevergd, zal van geval tot geval kunnen verschillen. Dat kan bijvoorbeeld afhangen van diens hoedanigheid en zijn kennis en ervaring omtrent de ter zake relevante fiscale en andere aspecten. Ook kan de tussen de belastingplichtige en de adviseur gemaakte afspraken en de daaruit voortvloeiende verwachtingen over en weer van belang zijn. Daarbij kan worden gedacht aan het moment en de wijze waarop aan die adviseur de door hem verzochte informatie en overige informatie waarvan de belastingplichtige weet of in redelijkheid moet aannemen dat die voor het opstellen van de aangifte is benodigd, zal worden verstrekt [4].

Als de belastingplichtige in weerwil van afspraken of daaruit voortvloeiende verwachtingen over en weer nalaat de adviseur de bedoelde informatie op een zodanig tijdstip te verstrekken dat deze tijdig de aangifte kan opstellen, dan mag hij er niet op vertrouwen dat de door de adviseur opgestelde aangifte juist en volledig is. Het is aan de belastingplichtige die zich erop beroept dat hij mag afgaan op de juistheid van de door zijn adviseur gedane aangifte, om de feiten te stellen en, bij betwisting, aannemelijk te maken die meebrengen dat hij de hiervoor bedoelde vereiste zorg heeft betracht [5].

Heeft de belastingplichtige alle stukken verstrekt?

Als de belastingplichtige alle voor de aangifte benodigde informatie heeft verstrekt, dan is er geen grond voor het oordeel dat belanghebbende bij de samenwerking met de toenmalige adviseur niet de zorg heeft betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd en dat hij niet op de juistheid van de door die adviseur opgestelde aangiften mocht vertrouwen. Het enkele feit dat de belastingplichtige wist dat bijvoorbeeld bepaalde inkomsten belastbaar waren, brengt nog niet mee dat de belastingplichtige heeft moeten opmerken dat de inkomsten in de door de adviseur opgemaakte aangiften afweken van de door de belastingplichtige verstrekte informatie [4].

Wordt door de belastingplichtige niet de benodigde informatie verstrekt die de adviseur nodig heeft voor een juiste aangifte, dan heeft die belastingplichtige niet de vereiste zorg betracht. Als de aangifte onjuist blijkt te zijn, dan stelt hij zich aan het risico bloot dat ter zake van die aangifte grove schuld of (voorwaardelijk) opzet op een beboetbare gedraging kan worden verweten [7].

Afrondend

De Hoge Raad overweegt dat het hof heeft geoordeeld dat de belastingplichtige in deze zaak mocht vertrouwen op de juistheid van de aangiften en daarom hem niet het verwijt kan worden gemaakt van (voorwaardelijk) opzettelijk handelen, maar dit oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De inspecteur heeft immers onder verwijzing naar een door de adviseur afgelegde verklaring gesteld dat de adviseur niet (tijdig) over bepaalde stukken beschikte. Het hof heeft ten onrechte niet daarop gereageerd. Daarom moet verwijzing volgen om te beoordelen of de belastingplichtige tijdig de benodigde informatie heeft verstrekt en zo niet, of sprake is van (voorwaardelijk) opzet van de belastingplichtige [8].

———————————————

[1] Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1961.

[2] Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586, r.o. 3.4.1.

[3] Hoge Raad 13 februari 2009, ECLI:NL:HR:2009:BH2586, r.o. 3.4.3.

[4] Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1961, r.o. 4.2.3.

[5] Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1961, r.o. 4.2.4.

[6] Hoge Raad 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:254, r.o. 4.2.

[7] Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1961, r.o. 4.2.5.

[8] Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1961, r.o. 4.3.2 en 4.3.3.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.