Oordeel Hoge Raad: percentage belastingrente voor de vennootschapsbelasting is te hoog
20 januari 2026
Afgelopen vrijdag kwam de Hoge Raad met een belangrijk arrest, waar menigeen naar uitkeek. De vraag die centraal stond was of het hogere belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting stand kan houden. Naar aanleiding van deze procedure, is dezelfde vraag opgekomen voor andere belastingmiddelen. Vrijdag 16 januari jl. oordeelde de Hoge Raad in de procedure over de vennootschapsbelasting [1].
Percentages belastingrente
De Belastingdienst brengt belastingrente in rekening als de belastingaanslag niet op tijd kan worden vastgesteld, zo staat op de website van de Belastingdienst. Daarbij is een overzicht gegeven van de percentages van de belastingrente, waarbij er een tweedeling is: alle belastingen met uitzondering van toeslagen en de vennootschapsbelasting en daarnaast de vennootschapsbelasting.
Hieronder zijn de percentages van de belastingrente door de jaren heen opgenomen:
bron: Belastingdienst [2]
Uit het overzicht van de belastingrente vloeit voort dat vanaf april 2024 de rente circa 8% was. Door de COVID-19 periode is de rente tijdelijk gedaald naar 0,01% en 4%, om daarna weer naar 8% terug te gaan en vanaf 2024 te stijgen naar 10%. Vanaf 2025 was het percentage 9% en per 1 januari 2026 is dat gedaald naar 7,5%.
De casus en het oordeel van de rechtbank
In deze zaak bij de Hoge Raad had de belastingplichtige aangifte VPB 2021 gedaan en een belastbaar bedrag van circa € 4 miljoen opgegeven. De inspecteur legde een voorlopige aanslag op, met daarbij circa € 90.000 belastingrente over de periode 1 juli 2022 tot en met 26 augustus 2023. In die periode bedroeg de belastingrente 8%.
De rechtbank heeft beoordeeld of het besluit waarin de hoogte van de belastingrente is geregeld, in strijd is met de algemene rechtsbeginselen, zoals het evenredigheidsbeginsel. Kort gesteld overweegt de rechtbank dat de wetgever in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten tot het koppelen van de belastingrente voor de VPB aan de wettelijke rente voor handelstransacties, met een ondergrens van 8%. Gelet op diverse afwegingen is de Rechtbank tot de conclusie gekomen dat de regelgever bij de afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot de betrokken regel heeft kunnen komen. Er zijn duidelijke en aanzienlijk nadelige gevolgen voor vennootschapsbelastingplichtigen, en die zijn naar het oordeel van de rechtbank onevenredig in verhouding tot de met de regel te dienen, onduidelijke doelen. De rechtbank acht daarom artikel 1, letter b, van het Besluit daarom onverbindend en stelt het rentepercentage vast op 4% [3].
Voor de selectieve renteverhoging voor de VPB ontbreken redelijke rechtvaardigingsgronden
Oordeel van de Hoge Raad
De staatssecretaris is tegen het oordeel van de rechtbank in (sprong)cassatie gegaan.
De Hoge Raad overweegt allereerst dat de wetgever de besluitgever beslissingsruimte heeft gelaten en dat de rechter de keuze die de regelgever heeft kan toetsen aan de algemene rechtsbeginselen (r.o. 4.4.3). De rechtbank heeft terecht de nadelige gevolgen van de lastenverzwaring voor belastingplichtigen meegenomen in de afweging dat deze niet onevenredig mogen zijn in verhouding tot het doel. Ook is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat de rechter bij een inhoudelijke toetsing van de regelgeving aan het evenredigheidsbeginsel de belangenafweging van de wetgever terughoudend moet toetsen (r.o. 4.5.1 en 4.5.2).
De Hoge Raad oordeelt dat er geen rechtvaardigingsgronden zijn voor een hoger belastingpercentage voor de VPB. Daardoor komt de Hoge Raad tot de slotsom dat de besluitgever een lastenverzwaring heeft doorgevoerd die slechts bij 1 groep terecht komt. De bepaling is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel en – bovendien – het gelijkheidsbeginsel. Daarom is het artikel onverbindend en moet buiten toepassing blijven (r.o. 4.7 e.v). In andere woorden: VPB-belastingplichtigen worden zwaarder getroffen dan andere belastingplichtigen.
Massaal bezwaar procedure
In het arrest van de Hoge Raad worden ook overwegingen ten overvloede gegeven, in het kader van de vele procedures waarin de hoogte van het belastingrentepercentage voor de VPB ter discussie staat (r.o. 4.11.1).
Het belastingrentepercentage voor de VPB moet worden bepaald naar het percentage zoals dat ook geldt voor andere belastingen. Met die vorm van rechtsherstel wordt een resultaat bereikt waarbij geen sprake is van een ongefundeerde selectieve lastenverzwaring (r.o. 4.11.2). Daaraan wordt toegevoegd dat het in rekening brengen van belastingrente niet in strijd is met het verbod van discriminatie in artikel 1 van de Grondwet en internationale verdragen (r.o. 4.11.3).
Als in een bepaalde periode bezwaar is gemaakt tegen de beschikking belastingrente bij de belastingaanslag VPB, dan loopt het bezwaar mee met de massaal bezwaar procedure. Na dat arrest van de Hoge Raad zal de Belastingdienst op die bezwaren gaan beslissen.
Voor de massaal bezwaar procedure voor andere belastingen (zoals de IB, OB, etc.), is het nog afwachten op het arrest van de Hoge Raad. A-G Koopman concludeerde medio december 2025 dat de belastingrente van 4% niet onverbindend is [4]. De Hoge Raad geeft in het arrest van 16 januari 2026 ook weer hoe tegen het lagere belastingrentepercentage en de berekeningswijze wordt aangekeken. Een arrest naar aanleiding van de conclusie van A-G Koopman is echter nog niet gewezen, maar het arrest zal waarschijnlijk van gelijke strekking zijn.
——————————
[1] Hoge Raad 16 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:59.
[2] Website Belastingdienst > contact > uw rechten en plichten > belastingrente > overzicht percentages belastingrente.
[3] Rechtbank Noord-Nederland 7 november 2024, ECLI:NL:RBNNE:2024:4361.
[4] Conclusie A-G Koopman 19 december 2025, ECLI:NL:PHR:2025:1393.


