Een mogelijkheid van de Belastingdienst: het vorderen van een dwangsom voor niet nakomen informatieverplichting door de belastingplichtige
25 maart 2025
De Belastingdienst beschikt over diverse mogelijkheden om ervoor te zorgen dat zij over de juiste en volledige informatie beschikken om de correcte belastingschuld vast te stellen. Een van die mogelijkheden is het vorderen van een dwangsom bij de civiele rechter, als de belastingplichtige de fiscale informatieverplichtingen niet nakomt. Dit was aan de hand bij Rechtbank Midden-Nederland [1].
Dwangsom voor niet nakomen informatieverplichtingen
De Belastingdienst heeft diverse bevoegdheden om de informatie te verzamelen om de juiste belastingschuld te kunnen vaststellen. Een van die bevoegdheden is opgenomen in art. 47 AWR en betreft de fiscale informatieverplichting. Belastingplichtigen dienen desgevraagd aan de inspecteur de informatie te verstrekken die van belang kan zijn voor de belastingheffing.
Als de inspecteur die informatie niet verkrijgt, dan kan een informatiebeschikking worden nemen (art. 52a, lid 1 AWR). Dit laat onverlet dat de inspecteur de mogelijkheid om een procedure aanhangig te maken bij de civiele rechter om de belastingplichtige tot nakoming van de informatieverplichtingen te bewegen op straffe van een dwangsom (art. 52a, lid 4 AWR).
Kort geding procedure
In de onderhavige zaak bij Rechtbank Midden-Nederland is de Belastingdienst een kort geding procedure gestart, met als vordering dat de belastingplichtige wordt veroordeeld om binnen 2 weken volledig en onvoorwaardelijk mee te werken aan het verstrekken van informatie. Hierbij wordt gevraagd om een dwangsom van € 5.000 per dag dat de belastingplichtige hieraan niet voldoet, met een maximum van € 500.000.
De achtergrond hiervan is dat de belastingplichtige vanaf 2006 rekeninghouder is bij een buitenlandse bank en in de jaren 2019 t/m 2022 regelmatig contant geld op de rekening wordt gestort. Het gaat om bedragen van circa € 99.000, € 52.000. De herkomst daarvan is onduidelijk. De Belastingdienst wil hier informatie over krijgen, maar daaraan heeft de belastingplichtige niet meegewerkt.
Omdat de Belastingdienst al vanaf 13 augustus 2020 vraagt om die informatie is volgens de Belastingdienst sprake van een spoedeisend belang. Zonder die informatie kan de Belastingdienst niet de belasting heffen of navorderen. Bovendien verstrijkt de bewaartermijn van bepaalde informatie na verloop van tijd.
Oordeel kort gedingrechter
De civiele kort gedingrechter oordeelt dat de vordering niet onrechtmatig of ongegrond voorkomt. De vordering zal dan ook worden toegewezen, met 3 kanttekeningen:
- de belastingplichtige krijgt 21 dagen om de informatie te verstrekken en voor het geven van een mondelinge toelichting/vervolgvragen dient de inspecteur een termijn te stellen;
- de Belastingdienst had verzocht om informatie ‘waaronder maar niet uitsluitend’, maar dat deel laat de rechter achterwege omdat dit te onbepaald is;
- tot slot wordt bepaald dat wilsafhankelijk materiaal alleen mag worden gebruikt voor de belastingheffing en niet voor beboeting en/of strafvervolging (waarmee het nemo tenetur-beginsel uit art. 6 EVRM wordt gewaarborgd).
De gevorderde dwangsom van € 5.000 per dag acht de rechter redelijk. De maximaal te verbeuren dwangsom is € 500.000. De toelichting hierop van de Belastingdienst (dat in de praktijk regelmatig informatie niet wordt verstrekt en dan kort geding procedures moeten worden gevoerd, als er geen of een te lage dwangsom wordt opgelegd), komt de rechter redelijk over. Gelet op het aanzienlijke tijdsverloop (augustus 2020 t/m maart 2025) heeft de Belastingdienst baat bij een dwangsom die voldoende effectief is.
Tot slot
De Belastingdienst heeft naast fiscale bevoegdheden ook de mogelijkheid om civiele middelen aan te wenden voor het kunnen vaststellen van de correcte belastingheffing. Wordt niet voldaan aan de informatieverplichtingen, dan kan de Belastingdienst de civiele rechter verzoeken de belastingplichtige te veroordelen alsnog die informatieverplichtingen na te komen op straffe van een dwangsom. Dat is wat in deze zaak is gebeurd.
—————————————————-
[1] Rb. Midden-Nederland 14 maart 2025, ECLI:NL:RBMNE:2025:966.


