Aftrek van voorbelasting: wist of behoorde te weten van btw-fraude?
4 februari 2025
Op 24 januari jl. werd een uitspraak van Rechtbank Den Haag [1] gepubliceerd over de weigering van btw-rechten vanwege o.a. betrokkenheid bij btw-fraude. Als sprake is van betrokkenheid bij btw-fraude, dan kan een btw-recht worden geweigerd. In deze zaak stelde de Belastingdienst als eerste dat er geen reële goederenleveringen ten grondslag liggen aan de belastbare handelingen en daarom de voorbelasting niet in aftrek kan worden gebracht, en ten tweede dat sprake is van betrokkenheid bij btw-fraude.
Waar gaat het over?
De belastingplichtige had een bedrijf bestaande uit de verkoop van luxe lifestyleproducten en luxe modeartikelen. De goederen werden ingekocht bij bedrijven die volgens de KvK activiteiten verrichten in het kader van elektrotechniek en industrie-emendatietechniek (bedrijf 2) en kleding/accessoires (bedrijf 3). Bedrijf 2 had in die periode geen actief btw-nummer.
De belastingplichtige had om teruggaven btw verzocht, die ook zijn verleend. Daarna heeft de Belastingdienst een boekenonderzoek ingesteld, waarna gedurende dit boekenonderzoek een strafrechtelijk onderzoek door de FIOD is gestart. Volgens de Belastingdienst sluit het overgelegde samenstel van boeken en administratie niet aan bij de werkelijkheid. De aftrek van voorbelasting is vervolgens geweigerd en een naheffingsaanslag opgelegd.
Aftrek van voorbelasting: bewijslast
De rechtbank overweegt dat op grond van art. 15 Wet OB een ondernemer voorbelasting in aftrek kan brengen, indien en voor zover sprake is van belaste prestaties. Op de ondernemer die de voorbelasting wil aftrekken rust in beginsel de bewijslast dat aan de voorwaarden van het uitoefenen van dat recht is voldaan. De Belastingdienst betwist dit, dus het is aan de belastingplichtige om aannemelijk te maken dat hieraan is voldaan. De belastingplichtige kan, zo vervolgt de rechtbank, in beginsel volstaan met het overleggen van facturen en daarna is het aan de Belastingdienst om twijfel te zaaien over de juistheid daarvan.
De rechtbank overweegt dat de Belastingdienst, o.a. door verwijzing naar de bevindingen van de FIOD, twijfel heeft gezaaid over de juistheid van de inkoopfacturen, dat de bewijslast weer terugschuift naar de belastingplichtige. De belastingplichtige moet met andere objectieve middelen aannemelijk maken dat de op de inkoopfacturen vermelde goederen ook daadwerkelijk aan haar zijn verkocht en door haar zijn gebruikt voor belaste handelingen.
De belastingplichtige overlegt vervolgens met deze inkoopfacturen corresponderende verkoopfacturen en transportpapieren van FedEx. Ook overlegt zij stukken waaruit blijkt dat er in die periode een transportverzekering was afgesloten. Daarmee heeft de belastingplichtige volgens de rechtbank (voor een deel van de transacties) voldaan aan de op haar rustende bewijslast. Dit geldt niet voor de transacties waarbij deels contant is betaald en er daardoor geen koppeling kan worden gemaakt tussen de in- en verkopen.
Wist of behoorde te weten van btw-fraude
Voor het deel van de administratie waarbij de belastingplichtige aan de bewijslast heeft voldaan komt de rechtbank toe aan de vraag of de belastingplichtige wist of behoorde te weten dat zij deelnam aan btw-fraude in het kader van een keten van leveringen.
Op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie geldt dat als aan de hand van objectieve gegevens komt vast te staan dat een ondernemer wist of had moeten weten dat hij met de handeling waarvoor aanspraak op aftrek of teruggaaf van omzetbelasting wordt gemaakt, deelnam aan btw-fraude, die aanspraak moet worden geweigerd.
Hiervoor is van belang dat, eveneens op grond van rechtspraak van het Hof van Justitie, het recht op aftrek slechts kan worden geweigerd wanneer de als bewijs van een dergelijke fraude of een dergelijk misbruik aangevoerde feiten rechtens genoegzaam zijn aangetoond, en niet middels veronderstellingen.
De bewijslast rust op de Belastingdienst. De Belastingdienst wees in deze zaak op een samenstel van feiten en omstandigheden, zoals dat bedrijf 3 geen gecertificeerd bedrijf is, de KvK-gegevens afwijken van de daadwerkelijke activiteiten, er geen prijsonderzoek naar de horloges kan worden gedaan zonder referentienummers en dat grote sommen contant werden betaald. Ook wordt gewezen op het FIOD-onderzoek.
De rechtbank overweegt dat de Belastingdienst hiermee niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van fraude in de handelsketen. Daarbij weegt de rechtbank mee dat de Belastingdienst ter zitting heeft aangegeven dat bedrijf 3 btw-aangiften heeft gedaan en een gedeelte van de in die aangifte opgenomen bedragen heeft betaald. Nu dit standpunt van de inspecteur niet slaagt, mag de belastingplichtige de voorbelasting in aftrek brengen (voor die transacties waarvoor de belastingplichtige aan de bewijslast had voldaan).
Tot slot
De belastingplichtige heeft zelf alle op de zaak betrekking hebbende stukken moeten inbrengen, omdat de Belastingdienst de kosten was kwijtgeraakt en niet meer kon traceren. De belastingplichtige verzocht om een integrale proceskostenvergoeding. De rechtbank overweegt dat 8:42 Awb is geschonden, maar de rechtbank hier geen gevolg aan verbindt omdat de belastingplichtige niet is benadeeld (want ze beschikte zelf over de stukken). Wel is de belastingplichtige hierdoor op kosten gejaagd, waardoor een forfaitaire proceskostenvergoeding met wegingsfactor 2 wordt toegekend.
———————————————
[1] Rb. Den Haag 20 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:22679 (gepubliceerd op 24 januari 2025).


