Het belang van het formele belastingrecht

16 augustus 2024

Als de formele aspecten goed worden geregeld. dan zorgt dit ervoor dat het geschil (met de Belastingdienst) om de inhoud kan draaien (in plaats van de formaliteiten). Er is (dus) een belangrijke rol weggelegd voor het formele belastingrecht in gesprekken en geschillen met de Belastingdienst. Dit wordt duidelijk in een recent gepubliceerde zaak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 31 juli 2024 (gepubliceerd op 9 augustus 2024, [1]).

Het belang van het formele belastingrecht

In deze zaak bij de rechtbank ging het geschil om een naheffingsaanslag omzetbelasting van circa € 23.000, waarbij een beschikking belastingrente van circa € 2.000 en een vergrijpboete van circa € 11.000 was opgelegd. De belastingplichtige was het hier niet mee eens en had bezwaar gemaakt. De vraag was echter: waartegen was bezwaar gemaakt? Want de inspecteur heeft het bezwaar tegen de boete ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de naheffingsaanslag en beschikking belastingrente niet-ontvankelijk. En was wel tijdig bezwaar gemaakt, als er al vanuit wordt gegaan dat bezwaar is gemaakt?

Voordat het geschil kan worden toegespitst op de inhoudelijke vraag (de aanvaardbaarheid van de aangiften omzetbelasting), moeten er eerst formele ‘hobbels’ worden genomen.

Kun je 'te vroeg' een bezwaarschrift indienen?

In deze zaak had de belastingplichtige tijdens het boekenonderzoek kenbaar gemaakt het niet eens te zijn met het voornemen van de inspecteur om een naheffingsaanslag, beschikking belastingrente en vergrijpboete op te leggen. Maar dat betekent dat al ‘bezwaar’ is gemaakt ten tijde van het onderzoek van de Belastingdienst en het daarna opgestelde controlerapport.

Op grond van de wet (art. 6:8 Awb en art. 22j AWR) vangt de termijn om bezwaar te kunnen maken in beginsel aan na de dag van dagtekening van een aanslagbiljet of de voor bezwaar vatbare beschikking. Daarin zit in deze zaak ‘het probleem’, omdat het controlerapport geen aanslagbiljet is en geen voor bezwaar vatbare beschikking.

De redding zou kunnen zijn dat de onvrede van de belastingplichtige moet worden aangemerkt als prematuur bezwaarschrift (art. 6:10 Awb). Dan blijft niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege als het te vroeg is ingediend, maar i) het besluit wel reeds tot stand was gekomen of ii) nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener wel redelijkerwijs kon menen dat dit reeds het geval was.

De rechtbank moet zich dus eerst buigen over de vraag of het bezwaarschrift ontvankelijk is. De rechtbank concludeert van niet, omdat tijdens het boekenonderzoek de inspecteur nog niet had besloten om een naheffingsaanslag op te leggen. De belastingplichtige kon in dit geval dus niet redelijkerwijs menen dat de aanslag al tot stand was gekomen. Het bezwaarschrift tegen de naheffingsaanslag is dan ook niet-ontvankelijk.

Waartegen is bezwaar gemaakt?

De belastingplichtige stelt dat kenbaar is gemaakt dat hij het niet eens was met i) de naheffingsaanslag, ii) de boete en iii) de belastingrente. De inspecteur stelt dat met de gemachtigde van de belastingplichtige contact was opgenomen en dat de inspecteur een kantoorgenoot heeft geschreven, waaruit bleek dat het bezwaar betrekking heeft op de boete en niet op de enkelvoudige belasting.

De rechtbank oordeelt dat er weliswaar een brief is gestuurd door de gemachtigde van de belastingplichtige, maar daarin niet is opgenomen dat er bezwaren zijn tegen de conclusies uit het controlerapport. ‘Dat staat er simpelweg niet in en is er redelijkerwijze ook niet uit af te leiden‘, aldus de rechtbank.

De inspecteur heeft die brief wel aangemerkt als een bezwaar tegen de vergrijpboete. Daarom is het bezwaar tegen de boete wel ontvankelijk geacht, hetgeen de rechtbank ook terecht vindt. 

Nu dus nergens schriftelijk, te vroeg of binnen de bezwaartermijn, duidelijk is geworden dat de belastingplichtige het niet eens was met de naheffingsaanslag, belastingrente en boete, wordt het bezwaar opgevat ‘alleen’ tegen de boete te zijn gericht. Het is dus belangrijk om duidelijk kenbaar te maken waartegen het bezwaar is gericht.

Is sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding?

Op 25 juli 2020 is de naheffingsaanslag, met boete en belastingrente opgelegd. De inspecteur heeft het bezwaar opgevat als een bezwaar gericht tegen de boete (en dus niet tegen de naheffingsaanslag). Op 21 september 2020, dus bijna 2 maanden later, is de motivering van het bezwaarschrift ingediend. Die motivering zag op de boete, maar ook op de naheffingsaanslag en de belastingrente.  

Als de gronden die tegen de naheffingsaanslag zijn gericht worden opgevat als een bezwaarschrift (omdat uit de gang van zaken niet bleek dat eerder bezwaar is gemaakt tegen de naheffingsaanslag), dan is dit buiten de termijn van 6 weken (art. 6:7 Awb) ingediend. 

De rechtbank overweegt dat niet-ontvankelijkverklaring bij een te laat bezwaarschrift achterwege blijft als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Met andere woorden: dat de termijnoverschrijding verschoonbaar is. De rechtbank oordeelt dat daarvan geen sprake is, dus het bezwaar tegen de naheffingsaanslag is niet-ontvankelijk.

Conclusie

Deze belastingplichtige ving bot in beroep ten aanzien van de naheffingsaanslag, omdat niet aan de formele vereisten was voldaan. Er was niet duidelijk waartegen bezwaar was gemaakt. Die duidelijkheid kwam na het einde van de bezwaartermijn, maar dat mocht de belastingplichtige niet baten omdat er geen verschoonbare termijnoverschrijding was. Wel was hij ontvankelijk in het bezwaarschrift tegen de boete, waarover de rechtbank heeft geoordeeld dat de boete moet worden vernietigd. Deze uitspraak laat zien dat het formele belastingrecht van groot belang kan zijn in een zaak.

————————————

[1] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 31 juli 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5314.

Door deze website te gebruiken, ga je akkoord met het gebruik van cookies. Cookies worden gebruikt om jou een goede ervaring te bieden en de website effectief te laten werken.