De toepassing van het nemo tenetur-beginsel in Nederland: (eindelijk) in lijn met het EHRM?
22 november 2023
In november 2023 oordeelde de Hoge Raad over de toepassing van het nemo tenetur-beginsel in een economische strafzaak [1]. De Hoge Raad verwijst hier expliciet naar het EHRM De Legé arrest uit oktober 2022. Hieruit kan de conclusie worden getrokken dat de Hoge Raad (eindelijk?) aansluit bij de reikwijdte van het nemo tenetur-beginsel zoals het EHRM dit invult.
Het nemo tenetur-beginsel
Op grond van het nemo tenetur-beginsel heeft eenieder het recht om niet gedwongen te worden mee te werken aan de eigen veroordeling. Dit recht om niet mee te werken staat nogal eens op gespannen voet met de diverse verplichtingen uit de belastingwet. Er kan dus een situatie ontstaan waarbij een belastingplichtige verplicht is om bijv. op grond van art. 47 AWR informatie te verstrekken, terwijl hij daarmee mogelijk zelf bewijs levert voor een potentieel beboetbaar of strafbaar feit. Hierbij moet een onderscheid worden gemaakt tussen wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal.
Rechtspraak van de Hoge Raad: onderscheid wilsafhankelijk en wilsonafhankelijk materiaal
Zo vorderde de Belastingdienst in kort geding op straffe van een dwangsom dat een belastingplichtige informatie verstrekte op grond van art. 47 AWR. De belastingplichtige weigerde en beriep zich op het nemo tenetur-beginsel. De Hoge Raad oordeelde dat wilsafhankelijk materiaal kan worden gedefinieerd als “materiaal waarvan het bestaan afhankelijk is van de wil van de belastingplichtige”. Dit materiaal mag worden afgedwongen voor de belastingheffing. Indien het niet kan worden uitgesloten dat dit materiaal ook wordt gebruikt in het kader van beboeting of bestraffing, moeten de nationale autoriteiten waarborgen dat de belastingplichtige het nemo tenetur-beginsel effectief kan uitoefenen. De rechter moet in een dergelijke waarborg voorzien [2].
In een later arrest overwoog de Hoge Raad dat de kwalificatie van materiaal als wilsafhankelijk of wilsonafhankelijk “is verbonden aan de aard van het materiaal (of het in fysieke zin ‘bestaat’ onafhankelijk van de wil van de betrokkene)”. Het hof had geoordeeld dat het materiaal niet zonder de medewerking van de belastingplichtige had kunnen worden verkregen en kwalificeerde dit als wilsafhankelijk. De Hoge Raad casseerde dit oordeel van het hof [3].
Mocht het zo zijn dat afgedwongen materiaal toch wordt gebruikt voor beboeting of bestraffing, dan komt het oordeel over de kwalificatie van het materiaal (is het wilsafhankelijk?) en welk gevolg hieraan moet worden verbonden toe aan de rechter die in de zaak oordeelt [4].
Toetsingskader van het EHRM in de De Legé-zaak
Het EHRM heeft in oktober 2022 geoordeeld over de toepasselijkheid van het nemo tenetur-beginsel in financiële zaken, bijv. waar het gaat om bankafschriften en portfolio-overzichten [5]. Voor een uitgebreid overzicht van het oordeel van het EHRM wordt verwezen naar een eerder geschreven blog over de De Legé-uitspraak.
Oordeel Hoge Raad na de De Legé-uitspraak
In een zaak van 14 november 2023 oordeelde de Hoge Raad over het nemo tenetur-beginsel na de De Legé-zaak [6].
In deze zaak had de politie de verdachte aangemerkt als verdachte van het invoeren van illegaal vuurwerk. De politie had de verdachte opgeroepen voor verhoor en vorderde op grond van art. 19 Wet op de economische delicten ‘alle’ gegevens over het bestellen en het ontvangen van het vuurwerk mee te nemen. Het hof oordeelde dat de politie niet eigenhandig aan de gevorderde informatie kon komen en kwalificeerde dit materiaal als wilsafhankelijk materiaal, wat onder de bescherming van het nemo tenetur-beginsel valt. Het kon volgens het hof niet worden uitgesloten dat deze informatie in de strafzaak tegen de verdachte zou worden gebruikt (r.o. 3.5.1).
De Hoge Raad overweegt dat dit oordeel van het hof niet in lijn is met het toetsingskader van het EHRM in de zaak De Legé. Uit dat toetsingskader volgt immers dat de toets is of het gaat om ‘specific pre-existing documents’, waarvan de vraag is of de autoriteiten daarmee bekend zijn. De vraag is niet of de autoriteiten de stukken eigenhandig hadden kunnen verkrijgen. (r.o. 3.5.2).
De Hoge Raad oordeelt dat het vragen naar ‘alle gegevens’ over de aankoop van het vuurwerk etc., terwijl de verdachte al verdacht werd van het kopen van illegaal vuurwerk, leidt tot een verboden ‘fishing expedition’. Dit levert een schending van het nemo tenetur-beginsel op.
Conclusie
Uit deze uitspraak wordt duidelijk dat de Hoge Raad definitief aansluit bij het toetsingskader van het EHRM voor het bepalen of documenten als wilsafhankelijk of wilsonafhankelijk materiaal moeten worden aangemerkt, en zodoende wel of niet onder de bescherming van het nemo tenetur-beginsel vallen.
—————————————————-
[1] Hoge Raad 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1562.
[2] Hoge Raad 29 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1359, r.o. 2.3.3.
[3] Hoge Raad 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1129.
[4] Hoge Raad 8 augustus 2014, ECLI:NL:HR:2014:2144.
[5] EHRM 4 oktober 2022, nr. 58342/15 (De Legé t. Nederland).
[6] Hoge Raad 14 november 2023, ECLI:NL:HR:2023:1562.


