Hogere proceskostenvergoeding: door handelen Belastingdienst was belastingplichtige genoodzaakt om bezwaar te maken
11 november 2025
Als een belastingplichtige in bezwaar en beroep gaat, kan aanspraak worden gemaakt op een proceskostenvergoeding. In de regel is de proceskostenvergoeding een forfaitair bedrag, maar er zijn uitzonderingen mogelijk waarin een integrale proceskostenvergoeding kan worden toegekend [1].
Proceskostenvergoeding
Op grond van de wet kan een belastingplichtige een proceskostenvergoeding krijgen (zie onder andere artikel 7:15 Awb en 8:75 Awb). Die proceskostenvergoeding stond in deze zaak centraal. Normaliter wordt deze vergoeding vastgesteld aan de hand van een forfaitair systeem. In het Besluit proceskosten bestuursrecht is neergelegd voor welke handeling een punt wordt toegekend. Hierbij kan worden gedacht aan het indienen van een bezwaarschrift (1 punt), het indienen van een beroepschrift (1 punt), het bijwonen van een getuigenverhoor (0,5 punt), etc.
De vergoeding is ook afhankelijk van het gewicht van de zaak, variërend van zeer licht (factor 0,25) tot gemiddeld (factor 1) tot zeer zwaar (factor 2). Voor de uiteindelijke vergoeding wordt een rekensom gemaakt: het aantal punten x de waarde per punt x de wegingsfactor.
De inspecteur heeft verwijtbaar onrechtmatig gehandeld, dus er is aanleiding voor een hogere proceskostenvergoeding
De discussie in de onderhavige zaak
De belastingplichtige had in deze zaak een aangifte omzetbelasting ingediend over het derde kwartaal 2022. Daarna is een naheffingsaanslag opgelegd, met een boete wegens het niet betalen van de belasting. Dat was niet juist, dus deze naheffingsaanslag en boete is daarop verminderd tot nihil.
Daarna werd een nieuwe naheffingsaanslag opgelegd, met boete wegens het niet tijdig betalen van de belasting. Hiertegen heeft de belastingplichtige bezwaar gemaakt. De inspecteur heeft uitspraak op bezwaar gedaan en het bezwaar gegrond verklaard. Hierbij is een proceskostenvergoeding toegekend van € 592. De belastingplichtige was het daar niet mee eens en ging in beroep. In beroep wordt een proceskostenvergoeding van circa € 4.500 gevorderd.
Uitzondering: integrale proceskostenvergoeding
De rechtbank overweegt dat de te vergoeden proceskosten in beginsel forfaitair worden vastgesteld. In uitzonderlijke omstandigheden kan daarvan worden afgeweken. Daarvoor is bijvoorbeeld grond als het bestuursorgaan het verwijt treft dat het een beschikking geeft, terwijl op dat moment duidelijk is dat die beschikking in een daartegen ingestelde procedure geen stand zal houden. Ook in vergaande mate onzorgvuldig handelen levert een grond op om een bijzondere omstandigheid aanwezig te achten. Het is aan de belastingplichtige om het voorgaande te stellen, en bij betwisting door de inspecteur aannemelijk te maken dat en waarom sprake is van bijzondere omstandigheden.
In het onderhavige geval was een boete opgelegd voor het niet betalen van de belasting en daarna een boete voor het niet tijdig betalen. Volgens de rechtbank is dit een schending van het ne bis in idem-beginsel. De inspecteur heeft verwijtbaar onrechtmatig de tweede boete opgelegd. De belastingplichtige was genoodzaakt om bezwaar te maken, daarom bestaat er recht op een hogere proceskostenvergoeding. De rechtbank act € 1.700 passend in dit geval.
Afsluitend
De rechtbank komt tot een hogere proceskostenvergoeding, maar geen integrale vergoeding. De belastingplichtige had verzocht om vergoeding van circa € 4.500. Uit de uitspraak wordt niet duidelijk waarom de rechtbank geen integrale vergoeding toekent of waarom het bedrag is bepaald op € 1.700. De rechtbank acht dit bedrag ‘passend in dit geval’.
———————————————
[1] Rechtbank Zeeland-West-Brabant 8 juli 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:4279.


