Het recht op rechtsbijstand in fiscale boetezaken
9 september 2024
Moet de inspecteur de belastingplichtige wijzen op het recht op rechtsbijstand? Dat was een van de vragen die voorlag in een procedure bij Hof Arnhem-Leeuwarden. Volgens het hof moest deze vraag bevestigend worden beantwoord. Na de conclusie van A-G Wattel uit april van dit jaar heeft de Hoge Raad inmiddels (op 6 september 2024 [1]) arrest gewezen . Om een lang verhaal kort te maken: ja, de inspecteur moet een belastingplichtige wijzen op het recht op rechtsbijstand voor fiscale boetes.
De rechten van een belastingplichtige: fiscale boetezaken
Op grond van art. 6 EVRM heeft een belastingplichtige diverse rechten, zoals het recht op berechting binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdige rechter. De bottom line is dat een ieder recht heeft op een eerlijk proces. Doordat in 1984 door het EHRM in het Öztürk-arrest [2] en in 1985 door de Hoge Raad [3] fiscale boetes als criminal charge zijn gekwalificeerd, kan een belastingplichtige zich ten aanzien van fiscale boetes beroepen op de rechten uit art. 6 EVRM.
Dat betekent dat diverse waarborgen die voorheen van toepassing waren in het strafrecht, zoals berechting binnen een redelijke termijn en onschuldpresumptie, nu ook van toepassing zijn binnen het fiscale boeterecht.
Toch was niet duidelijk of een belastingplichtige ook moest worden gewezen op het recht op rechtsbijstand in fiscale boetezaken. Die onduidelijkheid is nu weggenomen met het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024: er geldt rechtsbijstand voor fiscale boetes.
Rechtsbijstand voor fiscale boetes
Het recht op rechtsbijstand is vooral bekend vanuit het strafrecht. Dat recht op rechtsbijstand houdt in dat de verdachte een advocaat kan raadplegen (Salduz-bijstand) en verhoorbijstand van een advocaat kan krijgen. Hierop moet de verdachte worden gewezen.
Waar het strafrecht ‘enkel’ gericht is op bestraffing, kan er in het fiscale recht een heffingsbelang én een beboetingsbelang bestaan. Dat betekent dat in het fiscale recht in beginsel ‘pas’ de waarborgen van art. 6 EVRM van toepassing zijn als sprake is van een criminal charge. Er is dus niet, zoals wel het geval is in het strafrecht, van meet af aan sprake van een criminal charge, op grond waarvan de belastingplichtige de rechten van art. 6 EVRM kan inroepen.
Op grond van de rechtspraak verschilt het aanvangsmoment van een criminal charge, maar op grond van de rechtspraak van de Hoge Raad lijkt daar in ieder geval sprake van is zodra de inspecteur heeft aangekondigd een fiscale boete op te leggen [4].
Het antwoord van de Hoge Raad: ja, er geldt een recht op rechtsbijstand in fiscale boetezaken
De Hoge Raad oordeelt dat degene tegen wie een vervolging is ingesteld, recht heeft op bijstand van een raadsman naar keuze. Daaraan is inherent dat diegene onmiddellijk wordt geïnformeerd over dat recht. Dat recht is niet beperkt tot personen die zijn aangehouden of anderszins van hun vrijheid zijn beroofd (r.o. 5.2.1).
Het recht op rechtsbijstand is een fundamenteel kenmerk van een behoorlijk proces. Een schending daarvan kan in beginsel niet worden gerechtvaardigd. Daarom bestaat er geen aanleiding om dit recht te beperken tot ‘hard core’ strafrecht zaken. Dit betekent dat het recht op rechtsbijstand ook geldt in fiscale boetezaken. Het oordeel van het EHRM in de zaak Jussila (dat de reikwijdte van de rechten van art. 6 EVRM voor zaken buiten het ‘hard core’ strafrecht niet per se in ’their full stringency’ van toepassing zijn), geeft geen aanleiding tot een andere opvatting (r.o. 5.2.2).
Vanaf wanneer geldt het recht op rechtsbijstand?
In het strafrecht geldt het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het eerste verhoor (art. 27c Wetboek van Strafvordering). In fiscale boetezaken is in art. 5:10a Algemene wet bestuursrecht bepaald dat een belastingplichtige de cautie moet worden gegeven, maar niet dat moet worden gewezen op het recht op rechtsbijstand. De Hoge Raad overweegt dat een dergelijke verplichting wel in de wet was opgenomen tot 1 juli 2009 (en wel in art. 67l AWR). Desondanks geldt die verplichting volgens de Hoge Raad nog steeds, op grond van art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR (r.o. 5.2.3).
Dit leidt ertoe dat vanaf het moment dat sprake is van een criminal charge de belastingplichtige moet worden gewezen op het recht op rechtsbijstand. In elk geval, zo overweegt de Hoge Raad, moet de informatie worden verstrekt voordat met het oog op het opleggen van een fiscale boete een verhoor plaatsvindt (in de zin van art. 5:10a Awb).
Door wie kan rechtsbijstand worden verleend?
De Hoge Raad overweegt nog dat voor de vraag of sprake is van rechtsbijstand het niet van belang is of de bijstand door een advocaat of andere gemachtigde is verleend. Noch op grond van art. 6 EVRM noch art. 14 IVBPR is vereist dat de rechtsbijstand wordt geleverd door een advocaat. Op grond van art. 2:1, lid 2 Awb zijn geen nadere eisen gesteld aan degene die bijstand verleend. Er is slechts vereist dat degene die bijstand verleend in staat is op een effectieve manier juridische bijstand in de punitieve zaak te verlenen (r.o. 6.2).
Gevolgen schending recht op rechtsbijstand
Nu duidelijk is dat er een recht op rechtsbijstand geldt in fiscale boetezaken is de vraag wat de gevolgen zijn als dit recht wordt geschonden. De Hoge Raad oordeelt dat als sprake is van een schending, dit niet zonder meer meebrengt dat geen sprake meer is van een eerlijk proces zoals bedoeld in art. 6 EVRM en art. 14 IVBPR. Of nog sprake is van een behoorlijk proces, moet worden beoordeeld aan de hand van het verloop van het proces als geheel, met inachtneming van alle omstandigheden van het geval. Daaraan voegt de Hoge Raad toe dat daarbij mede van belang is in hoeverre de belastingplichtige toch bijstand van een raadsman heeft gekregen (r.o. 5.2.4).
Deze beoordeling is van belang, omdat het gevolg kan zijn dat de afgelegde verklaring van het bewijs voor de bestuurlijke boete moet worden uitgesloten. Dit is het geval als de belastingplichtige geen behoorlijk proces zou krijgen als de informatie voor beboetingsdoeleinden tegen hem zou worden gebruikt (r.o. 5.2.5).
Conclusie
Het arrest van de Hoge Raad van 6 september 2024 (ECLI:NL:HR:2024:1135) volgde redelijk snel na de conclusie van A-G Wattel van 26 april jl. De conclusie luidt dat de inspecteur een verplichting heeft om een belastingplichtige te wijzen op het recht op rechtsbijstand. De inspecteur dient dus de cautie te geven én te wijzen op het recht op rechtsbijstand in fiscale boetezaken. Dit bestendigt de rechtsbescherming van belastingplichtigen.
Het arrest van de Hoge Raad is ook op andere punten juridisch interessant, bijv. omdat de Hoge Raad oordeelt dat de weigering van een btw-recht (bijv. toepassing van het nultarief) geen straf of sanctie in de zin van art. 7 EVRM is (r.o. 4.1.2) en dat de inspecteur de weigering van een btw-recht wegens ‘wist of had moeten weten van btw-fraude’ aannemelijk moet maken en dus niet aan de zwaardere bewijsmaatstaf van ‘overtuigend aantonen’ hoeft te voldoen (r.o. 4.2.3).
———————————
[1] Hoge Raad 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1135.
[2] EHRM 21 februari 1984, nr. 8544/795 (Öztürk).
[3] Hoge Raad 19 juni 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8934.
[4] Bijv. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006.


